Ethnische groepen
 De
grootste etnische groep binnen de grenzen van Senegal is
met zo'n 40% de Wolof. Deze zijn vaak gemakkelijk
te herkennen aan hun diepzwarte huidskleur en de fijne gelaatstrekken.
Volgens de overlevering zijn zij oorspronkelijk uit het
Oosten van Afrika afkomstig. Vanaf de 10e eeuw zijn ze woonachtig
in het mondingsgebied van de Senegalrivier. De eerste koning
over het daar gestichte Wolofrijk was Ndjadja Ndiaye. Hieraan
ontlenen ook de latere heersers de titel Ndiaye.
Vandaag de dag leven de Wolof hoofdzakelijk in het gebied
tussen Dakar en Saint Louis alsook in de regio's Thies,
Diourbel en in het Sine-Saloum gebied.
In de steden zijn het voornamelijk de Wolof die een elite
vormen omdat zij op belangrijke posten worden geplaatst.
Een groep die oorspronkelijk los stond van de Wolof maar
in de afgelopen eeuwen bijna volledig geassimileerd is,
zijn de Lébou. Hoofdzakelijk levend van de
visvangst bewonen zij voornamelijk het schiereiland Cap
Vert (regio Dakar). Zij zijn de stichters van de stad Dakar
en leveren tot op de dag van vandaag de burgemeester van
die stad.
Met 15% vormen de Sérèr de tweede
etnische groep van het land. Hun oorspronkelijke woongebied
is de Petite Cote en het Sine-Saloum gebied. Zij leven voornamelijk
van visvangst, pindateelt en veeteelt. Een groot gedeelte
bekeerde zich tot het christendom, maar zij leven nog steeds
sterk onder invloed van Animistische tradities. De eerste
president van het onafhankelijke Senegal, Leopold Sedar
Senghor is misschien wel de bekendste Serer. Senghor was
behalve president ook filosoof, dichter en schrijver (hij
schreef onder andere de tekst voor het Senegalese volkslied).
 De
islamitische Peul (ookwel Fulbe of Fulani genoemd)
zijn een relatief kleine bevolkingsgroep binnen de grenzen
van Senegal maar velen wonen verspreid over Mali en Niger.
Ook deze bevolkingsgroep woonde oorspronkelijk in het noord-oostelijke
deel van het Afrikaanse continent. Uiteindelijk vestigden
zij zich op de zuidoever van de Senegalrivier. In de 11e
eeuw trokken een aantal groepen nog meer naar het zuiden
en het oosten en vestigden zich aan het Tsjaad-meer en in
het gebied van het huidige Kameroen. Tijdens deze volksverhuizingen
zijn er verschillende groepen onderweg blijven hangen waardoor
de Peul tegenwoordig in verschillende landen zijn te vinden
waar zij vooral als minderheid leven tussen andere bevolkingsgroepen.
In de regio Fouta Tooro vormen zij echter de meerderheid.
De antropoloog Baumann maakte de volgende onderverdeling:
Fulbe-Bororo zijn Nomaden die rondtrekken met hun kudden
runderen. Zij hebben een lichte huidskleur en zijn slechts
oppervlakkige aanhangers van de Islam, de Fulbe N'ai zijn
ook nomaden maar zij bedrijven ook landbouw. De Fulbe Sire
zijn niet langer nomaden, wonen in huizen en zijn sterk
beinvloed door de cultuur van de Wolof. Tenslotte zijn er
de Fulbe Torobe die een donkere huidskleur hebben en zeer
strenge moslims zijn. Zij vormen in de kleine steden en
grotere dorpen een soort religieuze elite die zowel administratieve
als pedagogische taken op zich neemt.
 De
Toucouleur-bevolking is ongeveer even groot al de
Peul populatie in Senegal (11%). De beide volkeren delen
ook dezelfde taal. Maar hun geschiedenis en cultuur is zeer
verschillend en wetenschappers zijn het er nog steeds niet
over eens waarom de Toucouleur de taal van de Peul hebben
overgenomen. In de 11e tot de 14e eeuw regeerden zij een
groot eigen rijk aan de Senegal rivier. Reeds in de 11e
eeuw namen zij de Islam als godsdienst aan.
De Diola (7%) leven voornamelijk in de in het zuiden
gelegen Casamance. De oorsprong van dit volk is onduidelijk.
Zelf geven zij aan uit het zuiden te komen en zij tonen
inderdaad veel overeenkomsten met de in Guinee Bissau levende
Manjak. Karakteristiek voor de Diola is de niet hierarchisch
georganiseerde maatschappij. De Islam heeft hier nauwelijks
voet aan de grond gekregen. De meesten hangen nog steeds
animistische geloofsrichtingen aan of bekeren zich tot het
christendom.
De Malinké (ookwel Mande of Mandingo genoemd)
leven voornamelijk in het Zuid-oosten en in de Casamance,
maar voornamelijk in de buurlanden Guinee, Mali en Gambia.
Ook zij zijn tijdens de grote volksverhuizingen vanuit oostelijke
richting het land binnengekomen.
De Soninké (ookwel Sarakholé) zijn
een van de kleinere bevolkingsgroepen in het land maar zij
zijn de oudste bewoners van het huidige Senegalese grondgebied.
Zij werden al vroeg geislamiseerd en staan bekend als zeer
vrome moslims. Zij staan tevens bekend om hun eerlijkheid,
betrouwbaarheid en reislustigheid. Na de 2e wereldoorlog
en vooral na de onafhankelijkheid waren het voornamelijk
Soninké die hun geluk gingen beproeven in Frankrijk.
Tot op de dag van vandaag steunen de meeste Soninké
families op financiele hulp van deze mensen in Frankrijk.
We treffen de Soninké voornamelijk aan in de streek
tussen Matam en Bakel.
|