De Indonesiërs van Chinese afkomst
De bewoners van Nederlands-Indië werden voor de wet verdeeld
in 3 groepen: Europeanen, Indonesiërs of inlanders en vreemde
Oosterlingen. Naast de Chinezen behoorden ook de Arabieren
tot deze laatste categorie. Voor elke groep bestonden er
aparte voorschriften en bepalingen. Aan het einde van de
vorige eeuw werden de Chinezen nog altijd gediscrimineerd
door het passen- en wijkenstelsel. Dit stelsel hield in
dat reizende Chinezen hun pas in iedere stad die ze aandeden
moesten laten aftekenen door de autoriteiten, en zich alleen
in bepaalde wijken mochten vestigen. In het begin van de vorige
eeuw werd het passenstelsel en in 1919 het wijkstelsel opgeheven.
Aan het einde van de jaren vijftig werd het Chinezen verboden
werkzaam te zijn in de landbouw. De Chinese boeren van Java
en Sumatra trokken massaal naar de stad om daar een nieuw
bestaan op te bouwen, iets waarin de meesten zeker geslaagd
zijn.
Een onzeker bestaan
De Indonesiërs kijken over het algemeen met afgunst
naar het succes van de gemiddelde Chinees. Deze afgunst
komt vooral tijdens periodes van maatschappelijke onrust
naar buiten. Als eerste worden dan Chinese wijken platgebrand,
tempels vernield en natuurlijk vooral winkels geplunderd.
Chinezen zijn in deze periodes altijd de klos, vooral ook
omdat de Indonesische regering - Suharto had hier een handje
van - niet ingrijpt. Integendeel, de regering heeft er baat
bij dat de woede zich altijd op de Chinezen richt, en niet
op henzelf.
|