De inwoners van het eiland Nias
 Geschiedenis
Sommige etnologen menen dat de Niassers verwant zijn aan
de Burmaanse Naga-stammen, anderen menen echter dat ze van
het eiland Madagaskar
afkomstig zijn. Rond het midden van de negende eeuw schreef
een Perzische koopman, Suleiman genaamd, over het koppensnellen
op Nias. Hij berichtte dat een man pas kon trouwen als hij
zijn uitverkorene een vers gesneld hoofd kon aanbieden.
De 13e eeuwse Perziche schrijver Kaswini deelt mee dat er
op Nias een volk leefde dat naaktliep, een lichte huidskleur
had en wondermooi was.
Pas in 1811 werd door het Nederlandse gouvernement over
Nias geschreven. Er werd bericht dat het eiland in 50 oeri
(dorpdistricten) was opgedeeld die onderling vaak slaags
waren. Na een oorlog tussen de oeri's werden krijgsgevangen
als slaven verkocht aan Sumatranen uit Aceh
en Padang.
Meestal werden de slaven in ruil voor goud, parels, tabak
en ijzer aangeboden. In 1863 ging het eiland officieel deel
uitmaken van Nederlands-Indië. In 1865 arriveerden
de eerste missionarissen op het eiland en inmiddels is de
helft van de bevolking christen. De Rheinische Mission zorgde
ervoor dat er een einde kwam aan het koppensnellen, een
praktijk die tot het midden van de vorige eeuw voort heeft
geduurd.
Het eiland telde in 1986 ongeveer een half miljoen mensen,
die over 657 grote en kleinere plaatsen verspreid waren. De
Niassers leven voornamelijk van de rijstbouw. Betaald wordt
vaak met varkens, die het hoofdkapitaal vormen. Tegenover
toeristen is de bevolking nogal schuw, hetgeen soms de indruk
geeft niet welkom te zijn. Wanneer je echter rekening houdt
met de tradtionele levenswijze van de bevolking dan is ya'ahowu,
het Niha woord voor welkom, zeker op zijn plaats.
Gebruiken
Steenspringen
De Fahombe, het steenspringen, is het meest typische evenement
van Nias. Hierbij wordt over een 2 meter hoge en een aan
de bovenkant halve meter brede stenen pyramide gesprongen.
De mannen zetten zich na de aanloop op een steen voor de
pyramide af. Met deze gevaarlijke sprong bewezen jonge mannen
in vroeger tijden hun geschiktheid voor de strijd. Het was
een oefening voor de nachtelijke bestorming van een vijandig
dorp, waarbij de aanvallers met een fakkel en een zwaard
in de hand over de bamboeversterkingen moesten kunnen springen.
Wanneer een jongen in staat was over de steen heen te springen,
werd hij in de mannengemeenschap opgenomen.
Dansen
De Fahumbra wordt uitsluitend door mannen gedanst waarbij
luid gezongen wordt. De Maena Baluse is een krijgsdans,
uitgevoerd door mannen in volledige wapenuitrusting. De
mannen dragen de kalabubu; ronde zwarte halsringen die het
koppensnellen bemoeilijkten. De Tuloto is een krijgsdans
waarbij de krijgers enorme sprongen maken en deelnemen aan
rituele oorlogsvoering. De Maena Mojo wordt door twee meisjes
of vrouwen uitgevoerd die de vlucht van een vogel nabootsen.
De Maena Sato is een rondedans met vraag- en antwoord-zangspelen
die door 20 tot 40 meisjes en vrouwen, en eventueel ook
mannen uitgevoerd wordt.
 Muziekinstrumenten
De muziekinstrumenten die bij de voorstellingen gebruikt
worden zijn de doli-doli (houten xylofoon), de gundra (grote
trommel), de tamburu (kleine trommel), de aramba (grote
gong) en de faritia (kleine gong). De duri-duri lewuoe (bamboe-orgel)
en de duri-duri mbawa (mondorgel) worden nauwelijks meer
gebruikt.
Architectuur
De traditionele dorpen op Nias zijn ware forten, tussen
het groen verstopt op heuvels en slechts bereikbaar via
makkelijk te verdedigen smalle met stenen geplaveide paadjes.
Een bamboe omheining rond het dorp zorgt voor extra verdediging.
De dorpen bestaan uit een brede met grote stenen geplaveide
hoofdstraat met aan weerszijden enorme huizen op dikke palen.
De meest interessante dorpen liggen in de buurt van het
populaire Lagundri
Beach in Zuid-Nias.
|