De bevolking van Sulawesi
Sulawesi telt ongeveer 13 miljoen inwoners, verdeeld over
18 verschillende etnische groepen. Meer dan de helft van
de bewoners van het eiland woont in Zuid-Sulawesi. De bevolkingsdichtheid
van het eiland is 66 inwoners per km2 (Java heeft
ter vergelijking 805 inwoners per km2). De belangrijkste
etnische groepen zijn de Buginezen, Makassaren, Mandarezen
en Toraja uit Zuid-Sulawesi, en de Minahassers
en Gorontalezen
uit Noord-Sulawesi.
De groepen onderscheiden zich in verschillende opzichten
van elkaar, waarvan taal, religie en adat de belangrijkste
zijn. De adat is de ingewikkelde gedragscode van de traditionele
samenleving. Dit ongeschreven gewoonterecht bepaald de rechten
en plichten van ieder lid van de groep. De adat is inheems,
vaak eeuwenoud en telt veel zwaarder dan godsdienstregels
die veel later geïmporteerd zijn. Met het gezegde:
‘De religie komt van over zee, maar de adat komt uit de
bergen’ geven de Indonesiërs aan wat voor hen het zwaarste
weegt. Zeer bijzonder zijn de Kajang
die ten noorden van Bira
wonen, en nog strikt vasthouden aan hun oude tradities.
De namen van de stammen in het centrale bergland beginnen
bijna allemaal met ‘To’ hetgeen mens betekent. In het verleden
werden ze voor het gemak allemaal Alefuren (heidenen) genoemd,
en later Toraja. De naam Toraja wordt nu nog alleen gebruikt
voor de volkeren in het bergachtige noorden van Zuid-Sulawesi.
De in Midden-Sulawesi wonende stammen noemen zichzelf de
To Bada, de To Pamona en de To Mori.
Naast de 18 etnische groepen telt het eiland verschillende
kleinere stammen die door de Indonesiërs ‘suku terasing’
genoemd worden. Deze primitieve stammen leven vaak nog zeer
geïsoleerd en hun cultuur kan door het ontbreken van
het schrift vaak het best omschreven worden als prehistorisch.
Opvallend is de vijandige houding die de stammen vaak jegens
elkaar koesteren. Sinds de jaren zeventig is de regering
begonnen met het opzetten van humanitaire projecten om deze
stammen uit hun isolement te halen. Vooral de kerk is hierin
nog altijd actief. Helaas gaan vooral de pogingen van de
regering vaak gepaard met veel fouten, onbegrip en conflicten,
waardoor van een soepele integratie van de stammen geen
sprake is. Bij de veelal gedwongen integratie wordt nauwelijks
aandacht besteed aan de bestudering van de eeuwenoude cultuur
van de stammen.
De Chinezen
Veel van de etnische Chinezen hebben het Indonesisch staatsburgerschap
aangenomen en zijn aanhangers van het boeddhisme, het christendom
of het confucianisme. Ook op Sulawesi bestaat de middenklasse
vrijwel geheel uit Chinezen, en het is vrijwel altijd deze
succesvolle bevolkingsgroep die het moet ontgelden tijdens
rellen.
De Bajau
De Bajau zijn een van oudsher nomadisch zeevolk. Volgens
historici komen ze oorspronkelijk uit het kustgebied rond
Borneo, Oost-Sumatra en de Riau- en Lingga-archipel. Taalkundigen
menen dat het woord Bajau (in bahasa Bugis ‘bojo’) van Wajo
afgeleid is, een semi-onafhankelijke Buginese staat. Het
aantal Bajau wordt op 40.000 geschat, en hun woongebied
strekt zich uit van de Filippijnen tot Sumatra. Op Sulawesi
tref je de Bajau vooral langs de oostkust van Midden- en
Zuidoost-Sulawesi aan. Traditioneel leefden ze een zwerversbestaan
op hun kleine boten, de bidok of soppe, maar tegenwoordig
heeft het overgrote deel een vaste woonplaats gekozen. Bajau-dorpen
bestaan uit een dicht opeengepakte rij paalwoningen, die
allemaal op zee uitkijken. De Bajau-gemeenschappen in Indonesië
onderhouden nauw contact met elkaar. Via de gemeenschappelijke
taal, economische activiteiten en verwantschappen onderhouden
ze eveneens contacten met Bajau-gemeenschappen in buurlanden.
De Bajau leven van wat de zee oplevert, landdieren worden
als onrein gezien. Rijst en andere landbouwprodukten verkrijgen
ze door ruilhandel. Ze verzamelen vooral trepang (zeekomkommer)
en schilden van schildpadden. Kinderen verzamelen met lange
harpoenen vis en trepang, mannen doen vaak het zwaardere
werk en duiken met een speer en een houten duikbrilletje
tot 15 m diepte naar vis en oesters. Onder water wordt ook
met pijl en boog (mamanak dayak) op grotere vissen als tonijn
gejaagd. Het meest wordt gevist met netten, (ringgik) of
met haken (nusi). De Bajau zeggen dat ze langer dan 10 minuten
onder water kunnen blijven. Sommige Indonesiërs geloven
dan ook dat de Bajau geen longen maar kieuwen hebben. Tegenwoordig
hebben veel Bajau een compressor aan boord die via een lange
rubberen slang duikers van lucht voorziet.
De zee heeft weinig geheimen voor de Bajau. Ze kunnen uit
de stand van de sterren het weer voorspellen en kunnen zelfs
de dag van de maand af lezen uit het ontluiken van zeewier.
Een kalender kennen ze niet en op de vraag hoe oud ze zijn
of in welk jaar ze leven kunnen de meesten geen antwoord
geven. Door voor het vissen sirih-bladeren, betelnoot en
tabak over het water uit te strooien wordt toestemming van
de panganroak sappa, de bewaker van het koraal, verkregen.
Zeiltochten van meerdere maanden en soms zelfs jaren naar
veraf gelegen gebieden zoals Timor, Irian Jaya, Bali, Maleisië,
Singapore en de noordkust van Australië zijn de Bajau
niet vreemd. Veel oudere Bajau kunnen prachtige verhalen
vertellen over hun expedities en die van hun vaders en grootvaders
naar de noordkust van Australië. Dat gebied geldt als
de trepang-kust, de vindplaats van de dikke zeekomkommers.
Eigennamen geven duidelijk blijk van de band met de omgeving.
Zo kan iemand letterlijk vertaald `drie zwarte wolken aan
de hemel’ of `vogel die op een in het water gevallen palmboom
zit’ heten. Vrouwen dragen vaak een wit gezichtsmasker dat
de huid beschermt tegen het felle zonlicht.
Contacten met de bewoners van het vasteland verlopen niet
altijd even soepel. Hoewel de Bajau grotendeels tot de islam
zijn overgegaan, worden ze door de overige Indonesiërs
veelal nog als heidenen beschouwd.
De problemen van de moderne tijd
Het gebied rond Australië waar het voor niet-Australische
boten verboden is te vissen is sinds 1968 van een 3-mijls
zone naar een zone van maar liefst 200-zeemijl gegaan. Een
groot deel van de traditionele visgebieden van de Bajau en
andere Indonesische zeelui, zoals onder andere de noordelijke
rand van het Sahoel-plat, waren hierdoor onbereikbaar geworden.
Daarom is in 1989 een gebied binnen de 200-mijlszone zone
vrijgemaakt voor niet-gemotoriseerde boten die op traditionele
wijze vissen. Toch zijn de Bajau door dit alles verdreven
naar diepere wateren, waar ze met hun traditionele vistechnieken
niet uit de voeten kunnen. Wanneer ze de regels veronachtzamen
nemen ze een vreselijk groot risico. Overtreders lopen kans
op gevangenisstraffen en in extreme gevallen worden hun boten
verbrand.
De Haaienvangst
Vanaf de jaren zestig is de jacht op haaien het belangrijkste
doel van expedities naar bijvoorbeeld de Timorzee geworden.
In de oost-moesson zeilen de Bajau vanaf hun nederzettingen
in Sulawesi naar de rand van het Sahoel-plat in de Timorzee,
waar ze van augustus tot november op haaienjacht gaan. De
haaienvinnen worden in Bau-bau of Makassar
verkocht. In 1994 bracht en kilo haaienvinnen tussen de
30.000 en 150.000 rp op. Veel Bajau hebben zich vanwege
de lucratieve haaienvangst definitief in een van de Bajau-nederzettingen
rond Timor gevestigd. De haaien worden gevangen met een
‘long-line’; een lang nylonkoord dat tussen de boot en een
boei wordt gespannen en waarvanaf een groot aantal lijnen
met haken de diepte ingaan. Deze nieuwe techniek is waarschijnlijk
afgekeken van de grote Japanse fabrieksschepen die rond
Zuidoost-Sulawesi met longlines vissen. Het gevolg van deze
vorm van haaienjacht is dat de haai in zijn voortbestaan
in het gebied bedreigd wordt. Met het verdwijnen van de
haaien, die aan de top van de voedselketen staan, wordt
het hele ecologische systeem van de onderwaterwereld verstoord.
Ontmoet de bevolking van Sulawesi met Travelmarker Reizen
| tmreizen.nl |
  |
| Maak kennis met de bevolking
van Sulawesi tijdens een zeer bijzondere vakantie met
privé-chauffeur van Travelmarker Reizen. |
|