Architectuur
Tempels
 Vanaf
de achtste eeuw verrezen in korte tijd honderden tempels
op Sumatra, Java en Bali. Velen hiervan zijn in de loop
der eeuwen door struikgewas overwoekerd of door aardbevingen
of vulkanisch geweld ingestort, en onder een laag lava of
aarde bedolven. In de afgelopen eeuwen zijn talloze bouwwerken herontdekt.
Het zijn vaak boeren geweest die veel van de verloren gegane
monumenten herontdekt hebben tijdens hun werk in de sawa's.
De vinder van kunstschatten is in Indonesië volgens de nog
uit de koloniale tijd stammende Monumenten-ordonnantie verplicht
de vondst aan de autoriteiten af te staan. Ondanks het hoge
vindersloon wat hieraan verbonden is, zijn er waarschijnlijk
heel wat beelden verloren gegaan omdat bijgelovige boeren
er boze geesten in zagen, en ze vervolgens uit angst voor
kwade invloeden kapot sloegen.
Berlage
 De
studie van de Hindoe-Javaanse tempelbouw was het belangrijkste
doel van de reis die Nederlands meest vooraanstaande architect
van de vorige eeuw, Hendrik Pieter Berlage in 1923 in het voormalig
Nederlands-Indië maakte. De specifieke opdracht die de architect
van de regering mee had gekregen was het samenstellen van
een rapport over de restauratiemogelijkheden van de tempelruïnes
te Prambanan.
Vrijwel alle Nederlandse architecten die in Indonesië bouwden
stuurden hun tekeningen op. De zeereis per stoomschip kostte
teveel tijd waardoor slechts weinigen de oversteek maakten
om toezicht te houden op de uitvoering.
H.P. Berlage (1856-1934), die het kantoor van de Algemeene
Maatschappij voor Levensverzekering en Lijfrente in Surabaya
(1900) en het kantoor van De Nederlanden van 1845 in Batavia
(1913) had gebouwd bezocht Indonesië pas in 1923, toen hij
een drie maanden durende reis door de archipel maakte. Berlage
liep op zijn tijd vooruit met zijn visie over de toekomst
van de Indisch-Europese bouwkunst, een toekomst waarover
in die jaren door in Indië gevestigde Nederlandse architecten
verwoed werd gediscussieërd:
Een werkelijk Indisch-Europese architectuur
zal eerst dan kunnen ontstaan wanneer de Javaan niet alleen
zelf het beroep van architect kan uitoefenen, maar ook de
volledige opleiding daartoe in Indië kan verkrijgen. Want
de kunstvorm, die voor een Indo-Europeesche, d.i. in dit
geval Javaanse kunst past, kan Europa hem niet geven. Dien
vorm moet hij dus hervinden. Eerst dan zal er een begin
kunnen zijn van het zoeken naar harmonie tussen constructie
en kunstvorm, het einddoel van elken stijl. Een ontwikkeling,
die den Javaan zelf als volwaardig architect vooronderstelt,
zal dan gelijken tred houden met dien naar een zelfstandig
Indië.'
Moderne architectuur
De bouwkunst in de eerste jaren van de Republik Indonesia
had tot doel het zelfbewustzijn van de nog jonge natie uit
te dragen. Onder Sukarno betekende dit vooral veel grootschalige
projecten, die door de eerste generatie Indonesische architecten
gebouwd werden. Hun stijl vertoonde veel gelijkenis met
de Nederlandse wederopbouwstijl, maar ging in de laatste
jaren voor 1965 steeds meer monumentale anonieme lelijkheid
vertonen.
Na de instelling van de Orde Baru in '65 volgde de reaktie.
Men wilde af van het anonieme staal en beton, en greep terug
op de traditionele Indonesische bouwkunst. Door het toepassen
van traditionele stijlen op moderne constructies heeft de
Indonesische architectuur de laatste jaren dan ook duidelijk
een eigen identiteit gekregen. Er zijn tegenwoordig volop
voorbeelden van het samengaan van het oosterse en westerse
architectuur in de archipel. De in de Javaanse pendopo-bouwvorm
opgetrokken transithallen van het internationale vliegveld
van Jakarta zijn al in 1923 genoemd door Berlage:
We komen na deze beschouwing wel
tot inzicht dat een Indo-Europese stijl slechts ontstaan
kan uit een synthese van het Westerse constructiesysteem
en den Oosterschen kunstvorm, waartoe dan de Javaanse pendopo
als oerbouw, zich het definitieve bouwwerk zou kunnen ontwikkelen.
Want dan zou het voorbeeld worden herhaald van den Griekschen
tempel, waaaraan ook een houtbouw ten grondslag lag.
Indonesiërs maken zich over het algemeen nauwelijks druk
om het behoud van nationaal erfgoed. Overal in de archipel
laat men gebouwen verpauperen en vervolgens slopen, bouwwerken
die niet zouden misstaan in een boekwerk over de architectuurgeschiedenis
van de archipel.
Toch begint men in de gaten te krijgen dat het stadsbeeld
er baat bij heeft wanneer de oude koloniale gebouwen gerestaureerd
worden. Vooral in Bandung,
waar in het centrum nog vele prachtige oude gebouwen staan,
is men bewust van de noodzaak deze voor het nageslacht te
bewaren.
Aan de gemiddelde Indonesiër gaat dit echter geheel
voorbij. Hij gaat met zijn tijd mee door de atap dakbedekking,
gemaakt van bladeren van de sagopalm, te vervangen door
golfplaat, een praktische oplossing die esthetisch echter
nogal wat te wensen over laat. Daarnaast ondervinden de
bewoners zelf ook nadelen van deze dakbedekking. Op hete
dagen is het in de woning niet uit te houden, en wanneer
het regent wordt men bloednerveus van het getik van de druppels
op het metaal en is een gesprek binnenskamers vrijwel onmogelijk.
Literatuurlijst
Mijn Indische reis-Gedachten over kultuur en kunst - H.P.
Berlage-1931
Ir. H.A. Breuning, Het voormalige Batavia, een hollandse
stedenstichting in de tropen anno 1619. Heemschutserie,
Amsterdam 1954, reprint Utrecht 1984.
Ben van Leerdam, Henri Maclaine Pont, architect tussen twee
werelden. Delftse universitaire pers, 1988.
De stenen droom, opstellen voor bouwkunst en monumentenzorg
opgedragen aan Coenraad Liebrecht Temminck Groll. De Wallburg
Pers, Zutphen 1988
R.P.G.A Voskuil, Batavia, beeld van een stad. Fibula/unie-boek,
Houten 1989
Huib Akihary, Architectuur en stedebouw in Indonesië 1870-1970
De Walburg pers, Zutphen 1990
Het Nederlands Architectuur Instituut heeft in 1991 een
cassette uitgebracht, `De Indische reis van H.P. Berlage'
waarin 46 van het totaal van 54 door de architect tijdens
zijn reis gemaakte architectonische studies op ware grootte
en kleur zijn opgenomen.
|