Batiks
 In
de Indonesische samenleving hebben de javaanse doeken van
oudsher een belangrijke rol gespeeld. Kleuren en motieven
geven uitdrukking aan heersende opvattingen over de relaties
tussen mensen onderling, de verhouding tussen jong en oud,
de rangen en standen binnen de samenleving, maar ook aan
de verhouding tussen de mensen en hun zichtbare en onzichtbare
wereld. Daarnaast laten ze zien tot welke familie men behoort.
Traditionele doeken hebben dan ook een bijzondere status,
welke niet geld voor geimporteerd textiel.
Alles wat nodig is om de doeken te maken - het verbouwen
van katoen, het spinnen, verven, weven en het aanbrengen
van de versierende motieven - wordt zelf gedaan, en merendeels
door vrouwen. Batikken werd in het verleden vooral beoefend
door hofdames. Het werd beschouwd als oefening van de geest
en sloot dan ook perfect aan bij de hofcultuur, die zelfbeheersing
als de weg tot geestelijke verlichting zag.
De kleuren
De kleuren worden onderverdeeld als in een kompas (of
windroos), waarvan de vier hoofdwindstreken dan ook in verband
worden gebracht met de vier hoofdkleuren en hun betekenissen.
Noord: zwart; de dood of de niet levende materie. Symboliek:
het is nacht.
Oost: wit; het begin of het ontluikende leven. Symboliek:
het ochtendgloren.
Zuid: rood; betekenis : volle wasdom. Symboliek: de zon
staat het hoogst aan de hemel.
De vijfde hoofdkleur is het middelpunt van het kompas en
is veelkleurig; de betekenis hiervan is 'de kern waar alles
om draait en die alles inhoudt'. Naast de hoofdkleuren zijn
er de nevenkleuren. Ook deze hebben weer met de windrichtingen
te maken en liggen dicht naast de hoofdkleuren.
Noord-oost: grijsblauw overgaand in zwartblauw; betekenis:
de dood is ingetreden. Symboliek: de nacht treed in.
Zuid-oost: lichtrood of rose; betekenis: het jonge leven.
Symboliek: de zon komt op.
Zuid-west : oranje; betekenis: de groeifase is voorbij,
de rijpwording treedt in. Symboliek: de zon staat nog steeds
hoog aan de hemel.
Noord-west: groen of paarsblauw; betekenis: de ondergang
is ingetreden. Symboliek: de nacht is nabij.
Een meisje dat in het huwelijk trad, droeg in haar huwelijksnacht
een rose doek met een rode rand. Hier werd dus grote waarde
gehecht aan de kleuren, want de betekenis van deze doek
was: het meisje (rose) wordt een vrouw (rood).
De begrippen licht en donker speelden ook een grote rol
in de kleurensymboliek. 'Licht' staat voor de hemel of het
bovenaardse, het mannelijke, het scheppende en ordenende
aspect. 'Donker' staat voor de aarde, het vrouwelijke, het
vruchtbare en materie kwekende aspect. Zo droegen bijvoorbeeld
vissers, landbouwers en andere mensen die afhankelijk waren
van wat de aarde of het water opleverde, hoofdzakelijk donkere
kleuren.
Batikmotieven
 De
windroos in zijn geheel afgebeeld, werd door vorsten en
edelen gebruikt als motief op voorhang, kleding of bedgordijn.
Men dacht dat er van deze doeken een magische en genezende
werking uitging. De figuren die voor de aarde en de hemel
staan zijn de slang (of een ander dier dat met de aarde
of het water te maken heeft) en de vogel. Door de komst
van de Islam in de zestiende eeuw werden dit soort afbeeldingen
(waarvan de meeste afkomstig waren van het hindoeisme uit
India) verboden, aangezien de islam het afbeelden van levende
wezens niet toestaat. Toen de Chinezen in grote aantallen
in de zeventiende eeuw in Indonesië arriveerden, kregen
ze ook een grote invloed op de afbeeldingen op de doeken.
Levende wezens keerden weer terug in de afbeeldingen, alhoewel
in mindere mate dan voorheen. De fantasie-, versierende
-, en de bloemmotieven bleven toch de overhand houden.
Bij de motieven die in de loop der eeuwen zijn ontstaan,
kan een onderscheid gemaakt worden tussen geometrische en
niet geometrische motieven. Geometrische motieven zijn vlechtwerk-
of weefselnabootsing (deze zijn opgebouwd uit puntjes en
streepjes), schuinlopende lijnen (hiervan is de belangrijkste
groep die van de hakmesmotieven), maar ook alle regelmatige
geometrische motieven die gebaseerd zijn op de windroos.
Niet geometrische- of vrije motieven zijn de motieven die
bekend staan onder de naam 'semen' ( uitbotten, spruiten).
Het bindende element in deze motieven wordt gevormd door
krullende plantenranken en uitbottende blaadjes op de achtergrond.
Er zijn drie hoofdgroepen semen: - in combinatie met alleen
plantaardige motieven, - dieren (meestal vogels) op een
semen achtergrond en -dieren en semen gecombineerd met een
vleugel (lar) van de mythische vogel garuda. Dit kan een
vleugel, een stel vleugels, of een stel vleugels met daar
tussenin een uitgespreide waaierstaart zijn.
Vorstelijke Batiks
De garuda of zonnevogel symboliseert volgens de Mataramse
heraldiek onder andere de vorst. De garudavleugels als motief
zijn dan ook voorbehouden aan de vorst, zijn naaste familie
en zijn bestuursleden (dit geldt niet voor elk deel van
Java, maar alleen in de vier vorstendommen). Niet alleen
deze vleugelmotieven zijn voorbehouden aan het vorstehuis,
maar ook andere patronen zijn uitsluitend voor gebruik van
de leden van de vorstelijke familie. Bij twee vorstenhoven
ligt zeer duidelijk vast welke motieven dit zijn, terwijl
dit bij de twee jongste hoven minder goed omschreven is.
Enkele voorbeelden van patronen, voorbehouden aan de Kasunanan
van Surakarta (Solo),
zijn gebroken hakmessen, stralenkransachtige patronen, motregen
en een driehoekig repeterend motief aan de randen en in
het midden wit. Deze voor de rest van het volk verboden
patronen werden dan ook niet gedragen als men dicht of redelijk
dicht bij het paleis woonde, maar hoe verder men weg woonde
hoe minder men zich aan het verbod hield om dat soort doeken
te dragen.
Europese invloeden
Ook de Europese inwoners van Indonesië hebben invloed
gehad op de ontwikkeling van batikmotieven. De Europese
vrouw, die zich in de eerste instantie niet met zaken mocht
bemoeien, ging zelf batikken of zette een batikkerij op.
In het begin waren dit alleen de Indo-Europese vrouwen,
maar later ook de uit Europa afkomstige vrouwen. Door de
laatste groep zijn grote veranderingen in het patronenstelsel
aangebracht, waardoor ook een groot gedeelte van de symboliek
is vervaagd. Men bracht kant of voorbeelden van kant uit
Nederland over, en zette daar de randen van de doeken mee
af. Soms werd het kant nagebatikt, of een combinatie van
kant en de gebatikte versie ervan gebruikt. Het midden werd
vaak opgevuld met bloemboeketjes (die een zeer Frans uiterlijk
aan de doeken gaven), die in latere tijden weer werden versierd
met takken, bladeren, of een lint. Een groot boeket werd
ook steeds meer gebruikt.
Rond de eeuwwisseling bestond er de voorkeur voor vogeltjes
met (liefdes) briefjes of een paar tortelduifjes. Ook de
Jugendstil heeft zijn rol gespeeld. De motieven werden a-symetrisch
golvend of van een hoekig lijnenspel.
Naast deze doeken bleven de traditionele patronen nog wel
bestaan en bij de vorstenhuizen hun rol spelen, maar ze
waren niet meer de belangrijkste doeken die er gemaakt werden.
In 2009 heeft Unesco batik officieel op de Werelderfgoedlijst
geplaatst als cultureel erfgoed van Indonesië. Dit
was een belangrijke steun in de rug van Indonesië,
dat geconfronteerd werd met Maleisische claims over de oorsprong
van batik.
|