De verschillende begrafenisceremonies
De manier waarop de Toraja hun doden begraven is uniek
in de wereld. Er zijn verschillende ma’tomate of begrafenisceremonies,
al naar gelang de status, rijkdom of leeftijd van een overleden
persoon (tomate betekent dode mens). Ze zijn genoemd naar
het aantal nachten dat ze duren, aangezien de duisternis
geassocieerd wordt met de dood. De disilli is de begrafenis
van een baby uit het gewone volk. Er wordt slechts een varken
geslacht en de baby wordt, indien hij of zij nog geen tanden
had, in een boom begraven (liang pia). Voor de rest van
het gewone volk wordt de dipasangbongi-ceremonie gehouden,
die 1 nacht duurt. Hierbij worden 1 karbouw en 4 varkens
geslacht. De dipatallung bongi-ceremonie wordt voor iemand
uit de lage adel gehouden. Tijdens deze ceremonie, die 3
nachten duurt, worden minstens 4 karbouwen en een groot
aantal varkens geslacht.
 Indien
een persoon uit de lage adel het kan betalen wordt er een
dipalimang-ceremonie gehouden. Bij deze ceremonie, die 2
dagen langer duurt, wordt het dubbele aantal dieren geslacht.
Nog kostbaarder is de dipapitung-ceremonie. Deze duurt 7
nachten en vereist het slachten van minstens 10 buffels.
Om verarming van een familie te voorkomen legden de Nederlanders
het aantal te slachten buffels per ceremonie vast. De Indonesische
regering bemoeit zich hier ook nog steeds mee, en hoewel
sommige families nog altijd hun hele vermogen aanspreken
voor een begrafenis, zijn er anderen die weigeren de bij
hun status behorende dure ceremonie uit te voeren.
 De
dirapai-ceremonie
De meest grootschalige begrafenis is de dirapai-ceremonie
voor leden van de hogere adel. Deze bestaat uit 2 delen
die elk 7 dagen duren. Voor beide delen moeten tenminste
24 karbouwen en grote aantallen varkens geslacht worden.
Het aantal te slachten buffels kan bij een rijk persoon
oplopen tot over de 100. Om het benodigde geld bij elkaar
te krijgen, alle uit te nodigen familieleden op te sporen,
en de erfenis te regelen kunnen er tussen het overlijden
en de begrafenis maanden en soms zelfs jaren liggen. Het
is voorgekomen dat een persoon die in de Tweede Wereldoorlog
was overleden in 1985 begraven werd. Tot de echte begrafenis
wordt het lijk ‘iemand die ziek is’ (‘ta makulak’) genoemd.
Direct na het overlijden wordt het lijk in ceremoniële
kleding gehesen en op een stoel in de zuidelijke kamer geplaatst.
Het lichaam wordt vervolgens door de burake bombo (de lijkinwikkelaar)
in doeken gewikkeld en gebalsemd met kruiden, alhoewel tegenwoordig
meestal injecties met formaldehyde worden gegeven. Vervolgens
wordt het lijk in een sarcofaag in de zuidelijke ziekenkamer
gelegd. Een familielid draagt zorg voor het lichaam tot
de begrafenis. De ‘zieke’ krijgt dagelijks drank en eten
aangeboden. Bezoekers moeten de overledene bedanken voor
de invitatie, en het lijk permissie vragen om weer weg te
gaan.
Het eerste deel van de dirapai-ceremonie wordt bij het
huis van de overledene gehouden. Nadat een datum is geprikt,
wordt het lijk van de zuidelijke ziekenkamer naar het middenvertrek
van het huis verplaatst. Nadat het met gongslagen ‘gewekt’
is, scharen de vrouwelijke familieleden zich rond de kist,
die met een felrode en rijk gedecoreerde doek bedekt is.
Het lichaam wordt nu als overleden beschouwd. Tot de overledene
bijgezet wordt in het graf houden de in het zwart geklede
vrouwen een dodewake bij de kist. De erfstukken en een portret
van de overledene worden voor het huis gehangen.
De periode tussen het eerste en tweede deel van de ceremonie
kan meer dan een half jaar bedragen. De plek die uiteindelijk
gekozen wordt om het tweede deel van de begrafenisceremonie
te houden heet de rante. Meestal is dit de oude dorpsrante
waar een aantal grote monolieten in een cirkel staan. Deze
stenen, die simbuang batu worden genoemd, vertegenwoordigen
de adellijke personen uit het dorp die bij hun begrafenis
de dirapai-ceremonie gehouden hebben. Bij elke steen hoort
een simbuang kayu, een boom die tijdens de begrafenisceremonie
bij de monoliet geplaatst is. Alleen de allerbelangrijkste
personen kunnen voor zichzelf nog monolieten laten oprichten.
De stenen moeten namelijk vaak over een grote afstand versleept
worden, wat een kostbare aangelegenheid is. Ze moeten, wanneer
er met een kapmes op geslagen wordt, helder klinken, anders
zijn ze niet geschikt. Voor het verplaatsen wordt een varken
geslacht om de aardgeesten tevreden te stellen. De steen
wordt door een tiental mannen over rijstvelden en woonerven
getrokken, en op de bestemde plek in een vooraf gegraven
gat geplaatst. De monoliet krijgt een verheven naam, bijvoorbeeld
‘Belo Langi’ (Versiering van de Hemel). Aan de rand van
de rante worden tijdelijke gastenvertrekken, de lantang,
gebouwd. Bij een dirapai—ceremonie kan een begrafenisdorp
uiteindelijk een kleine 200 gastenhuizen tellen. De bala’kaan,
een toren voor de dode, is op de rante gebouwd in de vorm
van een tongkonan, het traditionele huis van de Sa’dan-Toraja.
Hierop word de grafkist met het lichaam van de overledene
tijdens de ceremonie geplaatst.
Het tweede deel van de ceremonie begint voor de tongkonan
van de overledene met het aanheffen van de ma’badong, een
monotoon klaaglied, waarbij in een cirkel gedanst wordt.
Een ijzingwekkende schreeuw is voor enkele mannen het teken
om het in doeken gewikkelde lichaam op te pakken en in de
lucht te werpen. Onder schrille kreten van de familie herhaalt
dit zich enkele malen, waarna de overledene weer op de grond
gelegd wordt met de voeten in zuidelijke richting, naar
puya. Deze handeling symboliseert het overlijden. Pas op
dit moment begint de reis naar de voorouders. Een gongslag
geeft aan dat het tijd is om een karbouw te offeren. De
ziel van de karbouw zal de dode begeleiden naar het hiernamaals.
Na het offeren van de karbouw wordt een tau-tau, een op
de overledene gelijkende pop, naast het dode dier geplaatst.
Tijdens de ceremonie huist de ziel van de overledene in
de pop. Vervolgens houdt de to’minaa (‘hij die weet’) de
dodenrede. Deze priester heeft meestal ook de leiding over
de begrafenisceremonie. Hij moet beschikken over ‘bure’tek
pombulu lila’; een tong die ‘tek-tek-tek’ doet. Naast dat
hij rap van tong is, zijn zijn zinnen doorspekt met metaforen
en uitdrukkingen die voor het gewone volk moeilijk te begrijpen
zijn. Omdat hij sterk in verbinding staat met de dood wordt
de to’minaa als onrein gezien. Hij mag dan ook niet aanwezig
zijn bij de rituelen van het leven.
De climax vindt plaats wanneer het lichaam van het huis
naar de rante vervoerd wordt. De op een bamboeframe geplaatste
grafkist wordt op elk kruispunt een aantal malen rondgedraaid.
Dit wordt gedaan om de boze geesten op een dwaalspoor te
brengen, zodat ze de ziel van de overledene op reis naar
puya niet kunnen storen. De familieleden lopen in het zwart
gekleed achter de lijkbaar aan. Ze houden een rode doek
vast die hen met kist verbindt. Na 3 keer met het lichaam
rond de bala’kaan gelopen te hebben, wordt het op het platform
waar de naaste familie komt te zitten gelegd.
 De
volgende dag worden de gasten officieel ontvangen. Naar
deze gebeurtenis wordt met spanning uitgekeken. Onderlinge
verhoudingen worden opnieuw bepaald, oude ruzies bijgelegd,
of nieuwe gemaakt. De gasten, die soms gekleed gaan in de
meest kostbare en vaak van generatie op generatie gedragen
erfstukken, worden in groepen opgeroepen naar de ontvangstruimte
te komen. In die ruimte, die meestal in het midden van de
rante ligt, nuttigen ze sirih. Hierna begeven ze zich naar
de gastenvertrekken aan de rand van het terrein. De geschenken
worden overhandigd en de familie noteert nauwkeurig wie
wat geschonken heeft. Zo worden oude schulden afgelost of
nieuwe aangegaan, hetgeen de basis is van het sociale netwerk
van de Toraja. Een geschenk kan een karbouw of een varken
zijn, maar ook een bamboekoker gevuld met palmwijn. Als
toerist is het gebruikelijk een geschenk in de vorm van
sigaretten, suiker of rijst te geven. De overledene heeft
de geschenken nodig voor zijn laatste reis en zijn verblijf
in puya. Wanneer er geen geschenken meegegeven worden, verandert
de ziel zich in een kwaadaardige geest, de bombo, die het
leven van zijn gierige familieleden op aarde zal gaan verzieken.
Buffels worden geassocieerd met mannen en varkens met vrouwen.
Buffels zijn bij uitstek het symbool van welvaart. Hoeveel
er geofferd moeten worden hangt samen met de status, leeftijd
en natuurlijk ook het vermogen van de overledene. Bij de
begrafenis van een vrouw moet een extra buffel geslacht
worden als betaling voor de melk die ze aan haar kinderen
geschonken heeft. Het meest populaire offerdier is de tedong
bonga, een gevlekte lichtbruine buffel met blauwe ogen,
een grote bult en lange, fraai gevormde horens. Dit dier
wordt sterk genoeg geacht om via de vele hoge bergen en
diepe valleien puya te bereiken. Bij een prijs die op kan
lopen tot 4000 gulden per stuk kun je het je moeilijk voorstellen
dat er tijdens sommige begrafenissen meer dan 50 geslacht
worden. Als dank voor het offer dat ze moeten gaan brengen,
zijn de tedong bonga gevrijwaard van het werk in de rijstvelden.
Bij de stenen kring in de rante worden de te offeren dieren
vastgebonden. De buffels worden gedood met een slag van
een kapmes door de keel. Dit is werk dat door de pa’tingoro
gedaan wordt; de ‘mannen die de buffel doden’. Het bloed
dat uit de gapende wond spuit wordt soms door jongetjes
in bamboekokers opgevangen. Het wordt later bij het koken
van het vlees gebruikt. Vervolgens worden de karbouwen gevild,
van ingewanden ontdaan en aan stukken gehakt. De horens
van de beesten worden bewaard en voor het huis opgehangen.
Na het slachten wordt het vlees verdeeld. Hiervoor is een
speciale persoon, de sokkong bayu, verantwoordelijk. De
grootte van de stukken vlees moet namelijk in verhouding
staan met de status van de ontvangers. Dit wordt ‘politik
daging’ genoemd, de politiek van het vlees. De verdeling
dient nauwgezet te gebeuren, want benadeelden gaan soms
zelfs op de vuist om hun onvrede kenbaar te maken.
Er worden gevechten tussen buffels georganiseerd, waarbij
flink gewed wordt. Vooral aan zwarte buffels wordt veel
moed en kracht toegekend. De dieren worden aangespoord door
sambal in hun achterste te stoppen. Ook worden soms schopgevechten
(sisemba) gehouden. Hierna keren de gasten weer naar hun
dorpen terug. Alleen de naaste familie blijft bij de grafkist
achter. Op de dertiende dag wordt de dode op een draagbaar
(duba-duba) naar de laatste rustplaats gebracht. Deze ligt
meestal op een moeilijk bereikbare plaats, zoals een hoog
in de rotsen uitgehakte grafkamer. Deze ceremonie heet de
mapeliang. De volgende dag wordt het lichaam in het graf
geplaatst, iets dat vooral bij hoger gelegen rotsgraven
een niet ongevaarlijke onderneming is. Hierna wordt een
zwarte kip vrij gelaten om het uit het lichaam treden van
de ziel te symboliseren. De tau-tau blijft bij het graf
om de overledene te bewaken. De direpai-ceremonie eindigt
meestal met een hanengevecht. Het is de naaste familie nu
10 dagen lang verboden rijst en varkensvlees te eten. Ze
dienen zich te beperken tot aardappelen en vruchten. Om
de ziel van de overledene de status van tomebali puang (heilige)
te laten verkrijgen, wordt een jaar later nog een ceremonie
gehouden. Een tomebali puang is in staat zijn of haar familie
te beschermen en van voorspoed te verzekeren.
Begraafplaatsen
Iedere tongkonan heeft zijn graf, waarin alleen de leden
van dat huis begraven mogen worden. Tijdens rituelen wordt
het graf ‘het huis zonder rook’ genoemd. Om te voorkomen
dat de grafgiften geroofd worden zijn de graven vaak moeilijk
bereikbaar. Vooral de met kostbare geschenken gevulde rotsgraven
van de adel liggen hoog in de rotswand. Daarnaast is de
positie van het graf bepalend voor het aanzien van de bijgezette
voorouder. Des te hoger het graf, des te meer buffels aan
de grafbouwers betaald moeten worden. Het uithakken van
een 2 m diep en 1,5 m breed rotsgraf duurt ongeveer 9 maanden
en kost tegenwoordig een aantal buffels ter waarde van ongeveer
4000 gulden. Hoewel de ingang van de graven vaak klein is,
kan in de ruimte erachter een hele familie begraven liggen.
In oude graven voert een smalle gang vanaf deze ruimte naar
de kaunan, een kleinere ruimte waarin de dienaren (de ‘to
kaunan’) begraven liggen. De graven worden afgesloten met
een houten deur, die meestal met een gestileerde buffelkop
versierd is. De tau-tau, de houten grafbeelden die de graven
bewaken, staan naast elkaar op een centraal gelegen balkon.
Ze vormen een schakel tussen de dode en de nazaten. Alleen
voor iemand die een dirapai-ceremonie houdt mag een tau-tau
van het hout van de nangka-boom worden gemaakt, waarmee
de poppen aan adellijke personen voorbehouden zijn. De betekenis
van tau-tau is ‘klein persoon’ of ‘zoals een persoon’. Tau-tau
voor mannen dragen mannenkleren, tau-tau voor vrouwen vrouwenkleren.
Zelfs de geslachtsorganen worden, hoewel ze uiteindelijk
bedekt worden door kleding, uit het hout gesneden. Om de
huidkleur te benaderen wordt het nangka-hout voor bewerking
enkele weken in kokosolie geweekt. De rechter handpalm van
de tau-tau is naar de hemel gericht om de zegen, gezondheid
en voorspoed te ontvangen. De palm van de linkerhand is
naar voren gericht en biedt bescherming tegen slechte zaken
als ziekte en rampspoed. Een meester houtsnijder krijgt
voor het snijden van een tau-tau 2 tot 3 buffels, hetgeen
goed betaald is voor 2 maanden werk. Wanneer het beeld af
is wordt het ingewijd, en bij de in de tongkonan opgebaarde
overledene geplaatst. Gedurende de hele ceremonie blijft
de pop bij het lichaam. Uiteindelijk wordt het lijk in het
graf geplaatst, en komt de tau-tau tussen de poppen van
de andere personen in het graf te staan. Op het jaarlijkse
ma’nene feest, dat na de oogstceremonies plaatsvindt, worden
de tau-tau gerepareerd, schoongemaakt en van nieuwe kleren
voorzien. Ook het graf wordt dan geopend en de beenderen
en de kist van nieuwe doeken voorzien. Tijdens dit feest
wordt naast tabak, sirih, rijst en palmwijn ook een karbouw
geofferd. Elke tau-tau moet minstens 3 keer in nieuwe kleren
gestoken worden, wil de ziel van de overledene van een goed
bestaan in het hiernamaals verzekerd zijn. Vanwege de roof
van grote aantallen tau-tau in de jaren zeventig en tachtig
zijn veel originele poppen sinds 1989 vervangen door replica’s.
Sommige gestolen tau-tau zijn voor duizenden dollars op
antiekmarkten in de VS en Europa verkocht. Personen die
ooit op diefstal van een tau-tau betrapt zijn hebben hier
een hoge prijs voor moeten betalen. Naast het vonnis van
de rechter eist de adat dat er een karbouw en een varken
geofferd moeten worden om de voorouder, aan wie de tau-tau
toebehoorde, tevreden te stellen. Overigens is het zo dat
voor veel protestante Toraja de tau-tau taboe is. Dit hangt
waarschijnlijk samen met hun afkeer van het vereren van
beelden, aangezien het katholieke deel van de bevolking
geen enkel bezwaar in de poppen ziet.
Naast de rotsgraven worden de overledenen ook in speciale
houten dodenhuizen, de patane, begraven. Deze moderne Toraja-graven
zien eruit als een miniatuur-tongkonan en worden nu meestal
van beton gemaakt. De familiegraven liggen in de aarde onder
de patane. De in doeken gewikkelde lijken worden zonder
kist begraven.
 De
babygraven heten liang pia (‘ boomgraf’). De Toraja geloven
dat baby’s te makkelijk te beïnvloeden zijn door boze
geesten om ze in de grond of een rotsgraf te begraven. Daarom
word een doodgeboren baby of zuigeling in een uitholling
in een boom gestopt, die vervolgens met een matje van sagopalmvezels
toegedekt wordt. Na verloop van tijd zal het gat dicht groeien,
zodat de ziel van de baby voor altijd door de boom beschermd
wordt. De ziel groeit met de boom mee en kan zo toch nog
het hiernamaals bereiken. De meest gebruikte bomen behoren
tot de familie van de nangkaboom. Bij het inkerven moet
de boom een melkachtige witte vloeistof afscheiden, een
substituut voor de moedermelk. Kinderen die al tanden hebben
mogen niet in de boom begraven worden, dit zou onheil voor
de familie en het dorp betekenen. Bij het op deze manier
begraven van een baby worden meestal een varken en een hond
geofferd. De vader brengt het lijkje naar de boom. De moeder
gaat niet mee, omdat haar band met de baby verbroken moet
worden. Pas na 3 dagen gaat ook zij naar de boom met water
en offers. Deze zijn voor de boom die haar taak heeft overgenomen.
Om de ziel te beletten terug te keren naar de ouders wordt
de baby in een deel van de boom begraven dat geen uitzicht
biedt op het dorp. Tegenwoordig raken boomgraven in onbruik
en worden baby’s onder de grond begraven.
 De
erong (hangende graven) worden niet meer gebruikt. Deze
familiegraven hebben de vorm van een huis, een boot of een
dier en kunnen soms honderden jaren oud zijn. Dit type graf
is tot ver buiten de Sa’danvallei in gebruik geweest. Niet
alle graven werden aan rotswanden opgehangen, vaak werden
ze ook gewoon in rotsnissen bijgezet. Ze werden van verschillende
houtsoorten gemaakt, al naar gelang de status van de familie.
De hogere adel had kostbare kisten van sandelhout. Waarschijnlijk
zijn de Toraja na de Buginese invasie in de 17de eeuw opgehouden
de doden in erong te begraven. Tijdens die invasie bleek
namelijk dat de met kostbare grafgiften gevulde graven te
makkelijk te plunderen waren.
In de buurt van graven zie je soms de restanten van de
duba-duba, een draagbaar in de vorm van een huis, waarop
de dode naar het graf is vervoerd.
De graven van de Toraja zijn, met uitzondering van de babyboom,
altijd familiegraven. Gehuwden worden dus na de dood gescheiden
en bij hun eigen familie begraven. Wanneer een echtpaar
dit niet wil kan het een nieuw graf maken. Kinderen kunnen
in het familiegraf van de vader of de moeder begraven worden.
Het is een grote schande wanneer iemand in een verkeerd
graf beland. Dit verdwaald zijn wordt topusa genoemd. Wanneer
iemand ver weg sterft zal de familie het stoffelijk overschot
altijd thuis brengen. De Toraja geloven dat de ziel zonder
juiste begrafenisceremonie niet tot puya toegelaten wordt,
en de levenden komt lastig vallen. Om dit te voorkomen wordt,
wanneer iemand op een onbekende plaats overlijdt, een symbolische
ceremonie gehouden. Er wordt een lijkkist gemaakt waarin
de geest van de overledene plaats kan nemen. Deze moet echter
eerst gevangen worden, hetgeen gebeurt door familieleden,
die onder begeleiding van een priester met een sarong en
een stuk bamboe naar een heuveltop klimmen. Op de top vraagt
de priester de wind de sarong te vullen met de geest van
de overledene. Als de sarong opbolt, wordt ze om de bamboekoker,
die het stoffelijk lichaam symboliseert, geslagen en in
de lijkkist geplaatst.
Arme Toraja laten zich onder de grond begraven. Ze behelpen
zich met de tau-tau lampa, een eenvoudige uit bamboe gesneden
pop. Deze wordt alleen tijdens de begrafenisceremonie gebruikt
en niet voor het graf geplaatst.
Bezoek Toraja met Travelmarker Reizen
| tmreizen.nl |
  |
| Bezoek Torajaland tijdens
zeer bijzondere bouwstenen met privé-chauffeur
van Travelmarker Reizen. |
|