De geschiedenis van Sulawesi
Prehistorie
Wanneer de eerste mens op Sulawesi arriveerde is nog niet
geheel duidelijk. Bodemvondsten hebben aangetoond dat de
het eiland in ieder geval 30.000 jaar geleden bewoond werd
door jagers en verzamelaars. Deze mensen behoorden tot het
Australoïde ras, zoals de papoea’s van Irian Jaya en
de aboriginals van Australië. Vermoedelijk zijn ze
tijdens de ijstijden vanuit Nieuw-Guinea en Australië
naar Sulawesi getrokken. Tussen 4000 en 2000 voor Chr. begonnen
Austronesische volkeren zich vanuit Vietnam of Zuid-China
naar de Filippijnen te verplaatsen. Deze zeevaarders, die
nu bekend staan als Maleiers, konden al tegen de wind zeilen,
een prehistorische ontwikkeling die qua betekenis gelijk
staat aan de uitvinding van het wiel. Vanaf de Filippijnen
zeilden ze naar Kalimantan en Sulawesi, waar ze via de in
het noorden gelegen Sangihe Talaud-eilanden binnen kwamen.
Hier ontmoetten ze de groepen jager-verzamelaars die het
eiland al ruim 20.000 jaar eerder bereikt hadden. In tegenstelling
tot wat vaak gedacht wordt verdreven ze de bewoners van
het gebied niet, maar vond een vermenging plaats. Rond het
begin van onze jaartelling kwamen brons en ijzer op het
eiland in gebruik en 5 eeuwen later begon men met het verbouwen
van rijst. In de 10de eeuw werden nauwe handelscontacten
met China en de Filippijnen gelegd. Uit die contacten ontstonden
vooral in het zuiden van Sulawesi een aantal machtige rijkjes.
 De
vorming van machtscentra
Tot en met de 14de eeuw was de kuststrook van Sulawesi
onderworpen aan het gezag van het hindoe-Javaanse rijk Majapahit.
Dit rijk heeft waarschijnlijk ook het schrift op het eiland
geïntroduceerd. In die periode was het in het noorden
van de Baai van Bone gelegen koninkrijk Luwu het machtigste
rijk van Sulawesi. In de 16de eeuw moest Luwu haar machtspositie
afstaan aan Bone, dat ook in het zuidelijke deel van het
eiland lag. Overigens heeft het zuiden de belangrijkste
rol gespeeld in de geschiedenis van het eiland. Dit hing
waarschijnlijk samen met de toegankelijkheid van het gebied,
de handelsgeest van de kustbevolking en de verbouw van rijst.
Vooral het laatste vereist een hoge mate van samenwerking
en organisatie, hetgeen geleid heeft tot de opkomst van
belangrijke rijkjes.
De komst van de islam
Het is onbekend wanneer de islam voor het eerst het eiland
bereikte. Niet waarschijnlijk is dat de Buginezen en de
Makassaren vroeg tot de islam zijn overgegaan. Kareng Samarluka
van Gowa, een belangrijk koninkrijk op de Zuidpunt van Sulawesi,
bezette na een mislukte aanval op Malakka in 1420 Pasei
in het noorden van Sumatra en kwam daar in aanraking met
de religie. Ook van invloed waren de islamitische kooplieden,
die zich na de val van Malakka in 1511 in Gowa vestigden.
Ondanks deze contacten zou het tot de 17de eeuw duren alvorens
de Buginezen en Makassaren tot de islam bekeerd werden.
Op 22 september 1605 ging de vorst van Tallo tot de islam
over, waarmee de islam in Makassar
werd ingevoerd. In de jaren erna volgden expedities van
Gowa tegen andere rijkjes in Zuid-Sulawesi, die weigerden
vrijwillig de islam te aanvaarden. Daarnaast bracht de sultan
van Gowa het geloof naar Sumbawa en Flores en de kusten
van Zuid- en West-Kalimantan.
De komst van de Europeanen
De Portugezen waren de eerste Europeanen die Sulawesi bezochten.
De Portugese historicus Tome Pires introduceerde de naam
Celebes. Tussen 1512 en 1515 werkte hij aan het Suma Oriental,
een omvangrijk boekwerk over Oost-Azië. Hierin vermeldt
hij dat Celebes, Banggai en Siau de Molukken voorzagen van
voedsel en goud. Met Celebes werd aanvankelijk alleen het
uiteinde van de noordelijke arm van het eiland aangeduid.
Door de vele verraderlijke koraalbanken -of misschien ook
wel vanwege het grote aantal piraten in de omgeving- noemden
de Portugezen het gebied Punta de Celebres, ofwel beruchte
kaap. Een Indonesisch volkssprookje heeft een andere verklaring
voor de naam voor het eiland. De Portugese kapitein die
als eerste voet aan wal zette wilde erachter komen welk
eiland hij ontdekt had. De smid die hij op het strand trof
begreep niets van de vraag en gaf als antwoord Sele Besi;
ik smeed ijzer. De naam van het eiland kan ook afgeleid
zijn van het Buginese ‘selihe’ (stroming) of van ‘si lebih’
(met meerdere eilanden). De oudste kaart waarop de naam
Celebes voorkomt is gemaakt door kapiteins van de Ferdinand
Magaelhaes-vloot die rond 1524 langs de noordkust van het
eiland voer. De huidige naam voor het eiland, Sulawesi,
werd in de 30-er jaren van de vorige eeuw door jonge nationalisten
van Zuid-Celebes geproclameerd.
 De
Verenigde Oostindische Compagnie
In het begin van de 17de eeuw kwamen de Hollanders in het
gebied aan. De Nederlandse zeevaarders ondervonden al snel
dat de Buginezen en Makassaren het grootste obstakel vormden
voor hun handel in specerijen. Vooral nadat de havensteden
van Java onder sultan Agung hun betekenis voor de handel
in de archipel meer en meer verloren won Gowa aan macht.
Dit Makassaarse rijk heerste over het zuidelijke deel van
Sulawesi. In het noorden van het eiland had Sultan Bab-Ullah
van Ternate rond 1600 de touwtjes nog stevig in handen.
VOC versus Gowa
In 1609 sloten de Nederlanders een verdrag met Gowa, waarin
onder meer bepaald werd dat ze gedurende 9 jaar een eigen
factorij mochten hebben in Makassar. Na deze termijn weigerde
de sultan van Gowa het contract te verlengen, waarop de
Nederlanders de handelspost verlieten. De Portugezen, Engelsen
en Denen kregen echter wel toestemming om zich permanent
te vestigen. Het brute optreden van de Nederlanders onder
leiding van de Arnold de Vlamingh op de Molukken was waarschijnlijk
de reden dat het verdrag niet werd verlengd. Uit de wijze
waarop de VOC zich meester had gemaakt van de specerij-eilanden
bleek duidelijk dat de Heren Zeventien het handelsmonopolie
in de archipel nastreefden. Dit was onaanvaardbaar voor
de Makassaren, wiens welvaart afhankelijk was van de vrije
handel tussen de eilanden. In 1659 vonden onderhandelingen
plaats tussen de sultan van Gowa en de VOC. Op een verdragsvoorstel
van gouverneur-generaal Johannes Maetsuycker, waarin onder
meer werd gesteld dat Gowa geen handel mocht drijven in
de Molukse specerijen, reageerde sultan Hasanuddin in 1659
als volgt:
‘Dit verbod is in tegenspraak met God’s wil. Hij schiep
de wereld opdat alle mensen daaraan vreugde kunnen beleven.
Of gelooft U dat God deze eilanden, zo ver weg van Uw eigen
natie, voorbeschikt heeft voor uw handel? [..] Als we vrede
zouden accepteren op de voorwaarden die u eerder hebt gesteld,
past het ons meer om oorlog te voeren.’
 De
spanningen resulteerden in 2 veldtochten (1656 en 1660),
waar geen echte overwinnaar uit tevoorschijn kwam. Hasanuddin
sloot een verdrag met de VOC, waardoor hij zijn handen vrij
had om een opstand in Bone neer te slaan. Een aantal Buginese
prinsen, waaronder Aru Palakka, namen de wijk naar Batavia.
In 1665 wist de sultan het eiland Buton op de Nederlanders
te veroveren, maar dankzij de steun die de Nederlanders
van Aru Palakka hadden gekregen moest hij al spoedig weer
terrein prijsgeven. Een rechtstreekse aanval op het machtscentrum
van Gowa kon niet uitblijven. De aanleiding werd gevonden
in de plundering van gestrande VOC schepen door onderdanen
van Hasanuddin in 1666. Bij dit voorval werden enkele Hollanders
gedood. In december van datzelfde jaar verscheen een Hollandse
oorlogsvloot onder leiding van admiraal Cornelis Speelman
voor de kust van Gowa. Op een van de oorlogsbodems bevond
zich ook Aru Palakka. Het aanbod van Hasanuddin om een van
de geplunderde schepen financieel te vergoeden werd door
Speelman afgewezen. De op roem beluste admiraal liet weten
dat ‘Hollands bloed alleen met bloed betaald kan worden’.
Het vuur werd geopend op fort Somba Opu, maar de kanonskogels
hadden weinig uitwerking op de dikke stadsmuren. Besloten
werd te landen op een minder sterke plaats. Hiervoor werd
de stad Bonthain (Bantaeng), iets ten zuiden van Gowa, uitgekozen.
Hier werd op Eerste Kerstdag een hard gevecht geleverd die
door de VOC en Aru Palakka werd gewonnen. In de dagen die
op de strijd volgden werden Bonthain en meer dan 30 dorpen
in de omgeving tot de grond toe afgebrand. Tegelijkertijd
sloeg Hasanuddin terug door 15.000 soldaten in te zetten
tegen de VOC-vazalstaat Boeton, op het huidige eiland Buton.
Toen Speelman daar arriveerde liepen 5000 Buginezen uit
het leger van Hasanuddin direct over toen ze zagen dat Aru
Palakka met de Nederlanders meevocht. Kort na het ‘verraad’
van de Buginezen gaf de Makassaarse legeraanvoerder zich
aan Speelman over. Hasanuddin, ontdaan van zijn voornaamste
troepenmacht, werd door zijn legerleiding aangeraden niet
op te geven. De vesting Somba Opu, met zijn dikke vestingmuren
en honderden kanonnen was immers nog intact en had al bewezen
bestand te zijn tegen een beschieting vanaf zee. Tot juli
1667 kregen de Makassaren de gelegenheid hun stad verder
te versterken. Toen viel de Speelman opnieuw Somba Opu aan.
Hij had zich versterkt met een vloot uit Ternate, een andere
vijand van Gowa. Aru Palakka was met 6000 man vanuit Bone
onderweg zodat Speelman bij elkaar beschikte over 10.000
manschappen. Er volgde een langdurige belegering waarbij
vele Hollandse soldaten aan ziektes bezweken. De admiraal,
die op het laatst niet meer dan een paar honderd man over
had en wist dat hij niet op versterkingen vanuit Java hoefde
te rekenen, besloot eind oktober tot een erop-of-eronder
aanval. De strijd verliep uiterst gunstig voor de VOC. Toen
Speelman op 26 oktober het zwaar versterkte paleis van de
sultan bereikte, besloot de laatste over te gaan tot onderhandelingen.
Op 17 november werd in het dorpje Bongaia het vredesverdrag
getekend. In het ‘Bongaais Verdrag’ werd bepaald dat de
VOC het monopolie kreeg op de handel met Gowa en Hasanuddin
afstand moest doen van al zijn rechten op gebieden buiten
zijn staat. De sultan mocht geen handel meer drijven op
de Molukken, en een gedeelte van de stad kwam onder rechtstreeks
bestuur van de Compagnie. Het gevolg van het vernederende
verdrag was dat Hasanuddin een jaar later weer in opstand
tegen de Compagnie kwam. Gowa werd in juni 1669 voor de
tweede maal door Speelman verslagen, ditmaal definitief.
Voor de Makassaarse zeelui, die hun vrijheid van handel
hadden verloren, was de stap naar de smokkel en zeeroverij
zeer klein. Ze werden de angst van iedere VOC-kapitein.
Vooral langs de oostkust van Sumatra en in de Straat van
Malakka vormden deze zeerovers een ware plaag voor de handel.
In de toekomst zouden de Nederlanders hen nog vaak als bondgenoot
van hun vijanden tegenover zich vinden.
 In
de 17de eeuw ging het de VOC ook in het noorden van het
eiland voor de wind. Nadat dit gebied jaren lang onder de
invloedssfeer van Ternate had gestaan, erkenden de hoofden
rond 1680 de macht van de VOC. De handelsmaatschappij had
nog ruim een eeuw de tijd om de vruchten te plukken van
de machtspositie die het langs de kust van Sulawesi genoot.
In 1798 ging de Compagnie wegens corruptie en toegenomen
concurrentie failliet. De Bataafse Republiek (Holland) nam
alle bezittingen, eigendommen en schulden van de VOC over.
Nederlands-Indië was een feit.
De 19de eeuw
Na de inlijving van Nederland bij het Frankrijk van Napoleon
werd Nederlands-Indië door Engeland bezet. De vorst
van Bone voelde niets voor een Engelse overheersing. De
moord op een Engelse officier was voor de Engelse gouverneur-generaal
Raffles de reden om in 1814 een expeditieleger naar Bone
te sturen. Er werd een handelsovereenkomst gesloten tussen
de Engelsen en de Bonische vorst, maar al spoedig na het
vertrek van het expeditieleger kwamen hij weer in opstand.
Tot 1816 zou hij volharden in zijn guerrilla-oorlog tegen
de Britten.
Nederland kreeg na de vrede van Parijs (1816) zijn bezittingen
in de archipel terug. Aru Datu, de vorstin van Bone, weigerde
het nieuwe verdrag, dat inhield dat Bone weer onder Nederlands
beheer zou komen, te tekenen. Aan de oorlog die erop volgde
namen ook de kleinere koninkrijken Tanete en Supa deel.
Het uitbreken van de Java-oorlog in 1825 kwam op een gunstig
tijdstip voor de koninkrijken, omdat de Nederlanders hierdoor
gedwongen werden een groot deel van hun troepen naar Java
te verschepen. De overwinning op Bone liet tot 1848 op zich
wachten. Spoedig daarna kwamen de koninkrijken echter weer
in opstand, maar tijdens de door Generaal van Swieten geleide
veldtocht van 1859 werden de Buginezen opnieuw verslagen.
Toch bleef het rumoerig op Sulawesi. Het gouvernement genoot
slechts gezag in een klein gebied rond Makassar en de Minahasa.
Pas in het begin van de vorige eeuw werd de rest van het eiland
daadwerkelijk aan Nederlands-Indië toegevoegd.
De inlijving van het buitengewest Celebes
In 1905 stuurde het gouvernement een expeditieleger naar
Celebes om onbetrouwbare bondgenoten tot de orde te roepen,
en de onontdekte binnenlanden voor de beschaving open te
leggen. Een jaar later was de pacificatie van de binnenlanden
voltooid en brak een lange periode van rust aan. Onder de
Nederlanders werd een begin gemaakt met de aanleg van wegen
en grootschalige irrigatiewerken.
De opkomst van het nationalisme
Vanaf het begin van de 20ste eeuw kwamen er op Sulawesi
verschillende nationalistische stromingen op. In het zuiden
van het eiland had het nationalisme een sterk islamitisch
karakter. De islam was daar in de 18de en 19de eeuw het
bolwerk geworden van anti-Nederlandse gezindheid. In het
noorden profileerden de christelijke Minahassers zich als
de voorhoede van een nationalistische stroming die zich
beperkte tot Sulawesi. Dit christelijke nationalisme botste
met het nationalisme van de vernieuwingsbeweging Sarekat
Islam, die vanaf het einde van de jaren twintig een Indonesisch
nationalisme nastreefde.
De Tweede wereldoorlog
Op 11 januari 1942 landden de eerste Japanse troepen op
Nederlands-Indisch grondgebied. De aanval begon in Oost-Borneo
en in de Minahasa in Noord-Sulawesi. Na enkele schermutselingen
tegen de slecht uitgeruste KNIL-eenheden werd Sulawesi door
de Japanners bezet. Tijdens de bezetting hadden de nationalisten
aanvankelijk weinig inbreng. Ze kregen ze hun kans pas toen
de Japanners inzagen dat ze de oorlog niet meer konden winnen.
Op 7 september 1944 van dat jaar stelde Japan de Indonesiërs
de onafhankelijkheid van hun land in het vooruitzicht. Vijf
maanden voor het einde van de oorlog werden de Menadonees
Dr. Sam Ratulangi en Andi Pangeran, de zoon van de sultan
van Bone, naar Jakarta gestuurd om daar met Sukarno en de
zijnen mee te werken aan de oprichting van de republiek.
In april 1945 kregen de lokale vorsten zitting in de Soedara,
een soort adviesraad ter voorbereiding van de onafhankelijkheid.
De raad werd voorgezeten door Andi Mappanyuki, de vorst
van Bone. Ratulangi werd vice-voorzitter.
De Onafhankelijkheidsoorlog
In september 1945 arriveerden Australische troepen op het
eiland. Hun opdracht was het machtsvacuüm op te vullen
dat na de Japanse overgave was ontstaan. In hun kielzog
arriveerden ambtenaren van de NICA (Netherlands Indies Civil
Affairs), die het voorlopig bestuur op zich zouden nemen.
De terugkeer van de Nederlanders, die op dezelfde voet als
voor 1942 wilden doorgaan, werd nergens op prijs gesteld,
zelfs niet in het voorheen zo trouwe Minahasa. Nadat de
Australiërs in 1946 het bestuur overdroegen aan de
Nederlanders werden Ratulangi , die vlak na de Japanse capitulatie
door Sukarno als gouverneur van de Republiek in Sulawesi
was benoemd, gearresteerd. Hij werd samen met een aantal
andere republikeinse leiders naar Nieuw-Guinea verbannen.
 Malino
& Linggadjati
In juli 1946 deden de Nederlanders op de Conferentie van
Malino het voorstel om Indonesië, met uitzondering
van republikeins gebied op Java en Sumatra, in deelstaten
op te delen. Voor veel niet-Javaanse nationalisten was dit
geen slecht alternatief voor Sukarno’s republiek. Na de
conferentie kon gouverneur-generaal Van Mook vanuit een
sterkere positie aan de verdere onderhandelingen met de
republikeinen beginnen. Op 12 november kwam hij te Linggadjati
op West-Java tot een voorlopig akkoord met de republiek.
Nederland zou het gezag van de Republiek op Java en Sumatra
‘de facto’ erkennen en de republiek ging akkoord met de
vorming van een federatief Indonesië, dat in de vorm
van een ‘Unie’ een band met Nederland zou blijven houden.
Omdat beide partijen in hun hart iets heel anders wilden,
zou het verdrag zou niet lang stand houden.
Kapitein Westerling
Aan het einde van hetzelfde jaar werd op Nederlands initiatief
de deelstaat Oost-Indonesië uitgeroepen, met Makassar
als hoofdstad. De nationalist Nadjamoeddin werd premier,
de republikein Tadjoeddin Noor werd voorzitter van het parlement.
De situatie rond de hoofdstad was echter verre van rooskleurig.
De anti-Nederlandse guerrilla’s drongen op en dreigden zelfs
Makassar te veroveren. De Staat van Oorlog werd uitgeroepen
en kapitein Westerling kreeg de opdracht rebellen te ontwapenen
en het Nederlandse gezag te herstellen. De acties van deze
KNIL-officier en zijn 123 man tellende Depot Speciale Troepen
zijn oorlogsmisdaden van de eerste orde geweest. Tijdens
zijn militaire operaties in Zuid-Sulawesi, die duurden van
december 1946 tot begin 1947, executeerde hij in verschillende
dorpen een groot deel van de mannelijke bevolking, die hij
van samenwerking met de rebellen verdacht. Volgens ooggetuigen
was er weinig voor nodig om iemand verdacht te doen zijn
en diende de ‘methode-Westerling’ er meer toe de bevolking
angst in te boezemen. Indonesische bronnen vermelden dat
onder leiding van Westerling en zijn navolgers in Zuid-Sulawesi
40.000 Indonesiërs waren gedood, een officieel Nederlands
onderzoek naar dit schandaal houdt het op 5182 doden. Hoewel
Westerling en de imitators van zijn methode massa-executies
niet schuwden, lijkt 40.000 slachtoffers een onwaarschijnlijk
hoog aantal. Het is overigens bekend hoe dit aantal in de
wereld geholpen is. Op de dood van 40 TNI-soldaten op Java
zou guerrilla-leider Kahar Muzakkar een reactie hebben gegeven
in de trant van: ‘Wat maken jullie je druk over 40 doden,
bij ons in Zuid-Sulawesi zijn al 40.000 doden gevallen door
de acties van Westerling.’
Onafhankelijkheid
In december 1949 vond volgens Nederlandse lezing de souvereiniteitsoverdracht
aan de deelstaten plaats, die volgens de Indonesiërs
neerkwam op de erkenning van de reeds uitgeroepen onafhankelijkheid.
Sulawesi werd opgenomen in de deelstaat Oost-Indonesië.
Op 17 augustus 1950 maakte de Verenigde staten van Indonesië
plaats voor de eenheidsstaat Republik Indonesia. De deelstaat
Oost-Indonesië werd opgeheven en Sulawesi in de Republiek
Indonesië opgenomen.
De Darul Islam opstand en de Permesta
Met het einde van de politionele acties en de overdracht
van de soevereiniteit werd het er in Sulawesi niet rustiger
op. In 1950 vonden overal in Indonesië ‘Darul Islam’-opstanden
plaats. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog had de fundamentalistische
Darul Islam (Huis van de Islam) hard tegen de Nederlanders
gevochten. De beweging propageerde het ideaal van een islamitische
staat. De islamitische nationalisten waren verbitterd toen
de islam geen staatsgodsdienst werd in het nieuwe Indonesië.
Onder de vlag van de profeet trokken groepen gewapende moslims
over Sulawesi.
Naast ontevreden moslims was er ook verzet van lokale machthebbers.
De aansluiting bij de republiek betekende in de ogen van
een aantal lokale machthebbers slechts een machtswisseling
tussen Nederland en Java. Voor streken die in de koloniale
periode een voorkeursbehandeling hadden genoten betekende
dit een duidelijke verslechtering. Vooral de Minahassers
weigerden te gehoorzamen aan president Sukarno. Na de oprichting
van de PRRI, de tegenregering, in Padang (Sumatra) op 15
februari 1958, waarbij ook de leiders van delen van Sulawesi
waren aangesloten, was Sukarno’s geduld op en brak er een
burgeroorlog uit. Soekarno concentreerde zich op het weer
in het gareel krijgen van de opstandelingen in Sumatra,
maar liet ook Manado
bombarderen. Eind april gingen de opstandeling over tot
een tegenoffensief. Vijf plaatsen in de archipel werden
door wat `ongeidentificeerde vliegtuigen’ werden genoemd
gebombardeerd. Deze waren van de Filippijnen opgestegen
en nadat een neergeschoten piloot de Amerikaanse nationaliteit
bleek te hebben, beschuldigde Sukarno de PRRI van het aanvaarden
van buitenlandse hulp. Op 16 juni liet hij troepen de Minahasa
binnentrekken, en op 26 juni werd Manado bezet. Na een weinig
succesvolle guerrillastrijd gaven de rebellen op Noord-Sulawesi
zich in 1961 over. Op Zuid- en Zuidoost-Sulawesi vocht de
islamitische beweging van Kahar Muzakkar door tot 1965.
 De
Nieuwe Orde
In de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 werden te
Jakarta 6 generaals van de landmacht door hun politieke
tegenstanders vermoord. Generaal-Majoor Suharto, had de
coup binnen 24 uur neergeslagen. De coup werd aangegrepen
om voorgoed een einde te maken aan de PKI. Het leger, geassisteerd
door islamitische doodseskaders, slachtte binnen een half
jaar 500.000 tot 2 miljoen vermeende communisten af. Suharto
dwong Sukarno de macht aan hem over te dragen, hetgeen in
1967 gebeurde.
Onder Suharto’s ‘Orde Baru’ (Nieuwe Orde) heeft de integratie
van Sulawesi in de republiek in een hoog tempo plaats gevonden.
Door het land weer aantrekkelijk te maken voor buitenlandse
investeerders had de Nieuwe Orde het op economisch gebied
zeer goed gedaan. Met het wegvallen van de harde hand van
dictator Suharto kwamen er in Indonesië, en ook op
Sulawesi allerlei nare geesten uit de fles. De ernstige
problemen hebben zich voorgedaan tussen Moslims en Christenen
op de Molukken, maar ook Sulawesi heeft haar deel gehad.
De meeste rellen hebben zich rond Poso afgespeeld, maar
inmiddels lijkt de rust te zijn teruggekeerd. (Check hier
wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot het
reisadvies voor
de archipel )
Bezoek Sulawesi met Travelmarker Reizen
| tmreizen.nl |
  |
| Bezoek Sulawesi tijdens zeer
bijzondere bouwstenen met privé-chauffeur van
Travelmarker Reizen. |
|