Noord-Sulawesi
Waar de huidige bewoners van Noord-Sulawesi vandaan zijn
gekomen is nog onduidelijk. Oude volksverhalen, zoals het
`Toar en Lumimuut' verhaal van de Minahassers
en het `Loloda Mokoagow' verhaal van Bolaang
Mongondow, delen ons mee dat ze uit Vietnam en Kampuchea
kwamen. Taalkundigen zijn echter van mening dat de bevolking
uit de Filippijnen afkomstig is.
De eerste Europeanen
In het midden van de 16de eeuw passeerden de Portugezen
de Minahasa
op weg naar de specerijen-eilanden Ternate en Tidore. Ze
noemden de riffen ten noorden van Manado,
waarop veel schepen schipbreuk leden, de Ponto dos Celebros
(de beruchte kaap), wat later is verbasterd tot Celebes.
Het gebied werd opgenomen in de Portugese handelsroute.
Met de komst van de Europeanen begint de geschreven geschiedenis
van de provincie. Het zwaartepunt van de koloniale aandacht
voor het gebied lag in de Minahasa, en de geschiedenis van
de provincie is dan ook in hoofdzaak de geschiedenis van
dat gebied.
De Geschiedenis van de Minahasa
Volgens de legende stammen de Minahassers af van Opo Toar
en Opo Lumimuut. Oermoeder Lumimuut ('aarde') was een vrouwelijke
krijger, geschapen uit een koraalrots, gewassen in de zee,
verhit door de zon en bevrucht door de westenwind. Zij en
haar zoon Toar ('zon') gingen ieder hun eigen weg, en kwamen
elkaar jaren later weer tegen. Elkaar niet herkennend trouwden
ze. Opo Lumimuut verdeelde haar rijk bij de heilige steen
Watu Pinabetengan onder haar talrijke kinderen. In feite
handelt de geschiedenis van deze Adam en Eva van de Minahassers
over de aankomst van immigranten uit Oost-Azië in Noord
Sulawesi. De immigranten vermengden zich met de lokale bevolking
en vormden later 7 'walak' (stammen); de Tombulu, de Tonsea,
de Toulour, de Tountemboan, de Tounsawang, de Ponosakan
en de Pasan Ratahan. De stammen waren niet veel meer dan
een verbond van enkele dorpen met een traditionele leider
aan het hoofd. De verdeling van het rijk bij de heilige
steen heeft waarschijnlijk echt plaatsgevonden. Rond 670
n. Chr. schijnt bij een grote vergadering besloten te zijn
hoe de verdeling en het bestuur van het gebied eruit zou
komen te zien. In de 15de eeuw, nog voor de komst van de
Europeanen, kwamen de 7 stamhoofden in Watu Pinabetengan
nogmaals met elkaar overeen hoe hun landsgrenzen eruit zouden
komen te zien. Het woord Minahasa betekent 'unificatie van
de stammen'. Deze unificatie was noodzakelijk om de Bolaang
Mongondow, de gemeenschappelijke vijand, te kunnen weerstaan.
Pas in 1693 werd definitief met de Bolaang Mongondow afgerekend.
 De
komst van de Europeanen
De eerste geschreven bronnen stammen uit 1563, het jaar
dat de Portugezen hier aan wal gingen. Al iets eerder waren
de Spanjaarden aangekomen. Dit waren zeelieden van de vloot
van Magelhaes, die in 1524 te Ternate voor de Portugezen
waren gevlucht. De Portugezen meerden diverse keren langs
de kust aan om rijst te halen. In 1574 stuurden de Spanjaarden
gezantschappen vanuit Manilla naar de Minahasa en in 1617
bouwden de Spanjaarden een fort bij Manado.
De Spanjaarden introduceerden tomaten, maïs en chilipepers.
Ze waren bij de lokale bevolking wegens hun bekeringsijver
niet bepaald geliefd. Ook de sultan van Ternate, binnen
wiens invloedssfeer het gebied lag, was niet erg populair.
In 1643 probeerden de Spanjaarden een half-Spaanse koning
over de Minahasa te laten regeren, een poging die op felle
weerstand van de verschillende autonome stammen van het
gebied stuitte. In de Nederlanders, die nooit blijk gegeven
hadden van enige bekeringsijver, vonden ze een gewillig
bondgenoot in de strijd tegen Spanje. De Nederlanders zaten
er op dat moment al enige tijd in het gebied, want in 1608
had de VOC een houten fort bij Manado gebouwd. Nadat met
behulp van de VOC de Spanjaarden uit de streek waren verjaagd,
mochten de Nederlanders in 1658 een groter fort bij Manado
bouwen.
De koloniale periode
De Nederlanders verplaatsten hun machtscentrum van Ternate
(in het noorden van de Molukken) naar het in 1673 voltooide
Fort Amsterdam te Manado. Robert Padtbrugge, de gouverneur
van de Molukken, sloot in 1679 een verdrag met de lokale
heersers, welke het begin inluidde van een koloniale periode
die bijna 300 jaar zou duren. In eerste instantie ging de
interesse van de Nederlanders uit naar een gunstige havenplaats
langs deze kust, waar rijst voor de Molukken ingeslagen
kon worden, aangezien daar weinig voedsel voorhanden was.
Later probeerden ze de handel van de Minahassers aan banden
te leggen. Hierdoor zagen de walak geen heil meer in het
bondgenootschap. Ze slaagden erin Nederlandse wapens en
ammunitie te bemachtigen die ze naar het fort Moraya langs
de oevers van het Tondanomeer
brachten. De resident die het fort belegerde, liet een aantal
duiven met brandende palmtakken aan hun poten los. Deze
streken neer op de rieten daken van de vesting, die zo tot
de grond afbrandde. Na bloedige veldslagen bij het meer,
in 1807 en 1809, slaagden de Nederlanders erin de Minahasa
als geheel aan Nederlands-Indië toe te voegen. Hierna
gingen de Minahassers massaal over tot het protestantisme,
waardoor ze als geloofsgenoten van de Nederlanders betrouwbare
arbeidskrachten werden. Het Nederlandse gouvernement stichtte
scholen in het gebied, en rond de eeuwwisseling was er per
1200 inwoners een school, waarmee de Minahasa er beter afkwam
dan welk ander gebiedsdeel in Nederlands-Indië. In
Java
was er bijvoorbeeld slechts een school per 50.000 inwoners.
Tijdens de koloniale periode werden dan ook relatief zeer
veel posten in het leger en bij de overheid door Minahassers
bemand. Op initiatief van de Nederlanders werd op grote
schaal koffie aangeplant. Vanaf 1831 was dit als onderdeel
van het cultuurstelsel een verplichte koffiecultuur. De
Minahassers waren verplicht een deel van hun land te bebouwen
met koffie en de een groot deel van de oogst aan het gouvernement
af te staan. De goede kwaliteit koffie vond gretig aftrek
in Nederland. Rond 1870 kwam een einde aan het cultuurstelsel
en werd een begin gemaakt met het in erfpacht geven van
onontgonnen grond. Planters, merendeels Europeanen en Chinezen,
werden zo in staat gesteld grote stukken grond te verkrijgen
voor de verbouw van gewassen voor de export. Dat deze landverdeling
slecht viel bij de walak laat zich raden. Tot gewapend verzet
kwam het echter nauwelijks, de leiders van de Walak waren
al zo vernederlandst dat ze de 'Domeinverklaringen' tevergeefs
tot in Den Haag bestreden.
De Minahassers die in het KNIL dienst hadden genomen, werden
net als de Molukkers de meest betrouwbare inheemse soldaten
van het koloniale bewind. Dankzij hun inzet konden opstanden
op andere eilanden, zoals de Java-oorlog van 1825-1830,
onderdrukt worden en slaagde Nederland erin de binnenlanden
van verschillende eilanden rond de eeuwwisseling te pacificeren.
In 1920 bestond het KNIL voor eenderde deel uit Minahassers.
Door de bevolking van de rest van Indonesië werd de
uit de Minahasa afkomstige KNIL-militair ook wel 'Anjing
Belanda' (hond van de Hollanders) genoemd. Ondanks de goede
relatie met de Nederlanders was er ook verzet tegen de druk
die het koloniaal bewind op het volk uitoefende. Aan het
begin van de 20ste eeuw organiseerden ontevreden Minahassers
zich in een aantal verenigingen. Deze streefden over het
algemeen niet naar onafhankelijkheid maar naar een gelijkwaardigere
relatie met de Nederlanders.
De Tweede Wereldoorlog
In de ochtend van 11 januari 1942 vielen de Japanners Nederlands-Indië
aan. Een van de eerste doelen was de Minahasa. De verovering
van dat gebied op de 1500 KNIL-manschappen leverde niet
veel problemen op voor de 2500 man sterke Sasebo Combined
Landingforce en ruim 500 Japanse parachutisten. 16 uur na
de eerste landingen zag de Nederlandse commandant in dat
een geregeld gevecht geen zin meer had. Hij gaf zijn troepen
de opdracht vanuit de wildernis een guerrilla tegen de bezetter
te beginnen. Dit leidde tot een aantal moedige, maar kansloze
acties. Wel redelijk succesvol was de strijd van 11 inmiddels
gepensioneerde KNIL-militairen van het reservekorps Minahasa.
Deze waren na de val van de Minahasa naar Midden-Sulawesi
uitgeweken, waar ze zich aansloten bij de guerrilla-eenheid
van luitenant de Jong.
Noord-Sulawesi onder de Republiek
Na de Japanse bezetting werd de Nederlandse soevereiniteit
tijdelijk hersteld. Het onafhankelijkheidsstreven strekte
zich echter ook uit over de Minahasa. Er ontstond een onoverbrugbare
kloof tussen de nationalisten en de Minahassers die voor
het Nederlandse federalistische systeem kozen. Nog in 1947
probeerde een politieke beweging van Minahassers, die zichzelf
de Twaalfde Provincie noemde, opgenomen te worden in de
Staat der Nederlanden. De onafhankelijkheidsstrijd en de
wording van de republiek betekende voor veel Minahassers,
die als collaborateurs of 'Anjing Belanda' (Honden van de
Hollanders) werden beschouwd, dan ook weinig goeds. Velen
zochten hun heil in Nederland.
Met de overdracht in 1949 verloor Nederland volgens sommigen
zelfs haar twaalfde provincie. In 1950 werd de provincie
Oost-Indonesië, waartoe de Minahasa behoorde, opgenomen
in de Indonesische republiek. Door de benoeming van de christelijke
Minahasser Sam Ratulangi als eerste gouverneur van Oost-Indonesië,
werd de pro-Nederlandse beweging de wind uit de zeilen genomen.
Toch weigerden veel Minahassers te gehoorzamen aan Sukarno.
De situatie verergde doordat inefficiënte en corrupte
overheidsorganisaties Jakarta
een slechte naam bezorgden. Het kopra-inkoopfonds bijvoorbeeld,
kocht tegen een lage prijs kopra in, en verkocht het met
grote winst door aan zeepfabrieken op Java of in het buitenland.
Door buitenlandse schepen in de haven van Bitung
openlijk kopra te laten laden en rijst, auto's en andere
gebruiksvoorwerpen te laten lossen werd het centrale gezag
in Jakarta uitgedaagd. In juni 1956 beval de regering de
sluiting van de haven, maar een week later werd dit vanwege
heftige protesten weer ongedaan gemaakt. Een jaar later
riepen de leiders van de Minahasa hun eigen autonome staat
uit. Op 15 februari 1958 werd op Sumatra
de tegenregering (de PRRI) opgericht. Toen bleek dat ook
de leiders van de Minahasa bij de PRRI waren aangesloten,
was Sukarno's geduld op en brak een burgeroorlog uit. Sukarno
liet het radiostation van Manado bombarderen en richtte
zich allereerst succesvol tegen het eveneens dissidente
Noord-Sumatra. Op 16 juni liet hij troepen de Minahasa binnentrekken,
en op 26 juni werd Manado bezet. De tegenregering trok zich
terug naar het platteland waar het, doordat de steun van
de bevolking uitbleef, een onsuccesvolle guerrilla voerde.
Precies het tegenovergestelde van wat de rebellen hadden
beoogd was gebeurd. De macht van de centrale regering te
Jakarta was vergroot ten koste van de invloed van lokale
machthebbers. In 1959 was Sukarno in staat zijn 'Geleide
Democratie' aan de republiek op te leggen. In 1961 kwam
er door gunstige capitulatievoorwaarden en een algemene
amnestie voor de rebellen een einde aan de burgeroorlog.
Bezoek Sulawesi met Travelmarker Reizen
| tmreizen.nl |
  |
| Bezoek Sulawesi tijdens zeer
bijzondere bouwstenen met privé-chauffeur van
Travelmarker Reizen. |
|