Pieken en dalen
Thailand is 514.000 km˛ groot, en is qua oppervlakte dus
ongeveer vergelijkbaar met Frankrijk. Het land wordt omgeven
door bergketens en vooral het noorden en westen zijn bergachtig.
Langs de grens met Myanmar (Birma) in het westen liggen
bergen die tussen de 600 en 900 meter hoog zijn. De hellingen
zijn begroeid met tropisch regenwoud, en de grillige rotsformaties
maken dit een onherbergzaam gebied. Er lopen twee grote
rivieren doorheen, de Kwei Noi en Kwei Yai (kwei betekent
rivier).
 Langs
de grens met Birma en Laos in het noorden zijn de bergen
hoger; met pieken van rond de 1500 meter. Ook deze hellingen
zijn dik begroeid met bossen, alhoewel de laatste jaren
veel bomen gekapt zijn. Het oostelijk deel van Thailand,
grenzend aan Laos, ligt weer een stuk lager. Op de relatief
vlakke stukken tref je een aantal natuurparken. Dit in tegenstelling
tot het zuid-oosten, waar de natuur door de geringe neerslag
veel minder kansen krijgt. Het noordoosten bestaat uit een
onvruchtbaar zandsteenplateau. Tussen deze grensgebieden
in ligt de vruchtbare en dichtbevolkte centrale vlakte,
waar ook Bangkok
in ligt. Hoewel de neerslag hier beneden de 1500 mm per
jaar ligt, voert de grote rivier Menam Chao Phray genoeg
water aan voor irrigatie en de drinkwatervoorziening. Het
zuiden is een langgerekt schiereiland. De grillige kustlijn
heeft mangrovenbossen en fraaie strandjes. Voor de kust
liggen talloze eilandjes in een diepblauwe oceaan.
|