Ani
Wanneer je Kars in oostelijke richting verlaat, bereik je
na een klein uur rijden Ani, een ruïnestad die tegen de Russische
grens aanligt. Slechts de Arpa Cayi (de Achurian) scheidt
de twee landen van elkaar. Ani is, gelegen op een smal hoog
driehoekig plateau, een natuurlijke vesting. Alleen aan de
noordzijde van de stad, waar het plateau niet steil afloopt,
was een verdedigingsmuur nodig.
Vandaag de dag is het moeilijk voor te stellen dat op deze
plek eens meer dan honderduizend mensen voor een bedrijvigheid
zorgden, die in die tijd gelijk stond aan die van wereldsteden
als Constantinopel (het huidige Istanbul),
Caïro
en Bagdad. Slechts enkele ruïnes herinneren aan de grootheid
van weleer.
De geschiedenis
De stad was al lang voordat ze de hoofdstad van Bagratiden
werd bewoond. De oudste nederzetting ligt waarschijnlijk
op de citadel. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van
Anahit, een Perzische godin die de Grieken met Afrodite
identificeerden. Voor hun bekering tot het christendom,
was ze een van de hoofdgodinnen van de Armeniërs. Tweehonderd
jaar lang was Ani de meest levendige stad van Armenië en
een eeuw lang was ze de residentie van de koningen van de
Bagratidendynastie. Het was Abbas (929-953) die de hoofdstad
van het Bagratidenrijk naar Kars verplaatste en de provincie
Schirak met de vesting Ani aan zijn gebied toevoegde.
Hoofdstad van het rijk der Bagratiden
Al rond het einde van de achtste eeuw hadden de Bagratiden
onder Aschot Msaker een nederzetting op de vlakte voor de
citadel gesticht. Abbas opvolger Aschot III (953-977), ook
wel de `Barmhartige' genaamd, maakte de nederzetting tot
nieuwe hoofdstad van het Bagratidenrijk en liet zich er
kronen. Onder zijn heerschappij nam de bloei van de stad
een aanvang.
Ani ontwikkelde zich tot de belangrijkste stad op de handelsroute
tussen Dwin en Trabzon.
De stad gonstte van bedrijvigheid; handelaren en handwerkslieden
kwamen van heinde en ver naar Ani. Op de markten werden
de meest uiteenlopende handelswaren aangeboden
|