Antakya
De geschiedenis van Antakya
In 307 voor Chr. stichtte Antigonos, een van de veldheren
van Alexander de Grote, de stad Antigoneia aan de oevers
van de Orontes (tegenwoordig de Asi Nehri) iets ten noorden
van Antakya. Daar deze stad niet erg gunstig gelegen was,
verplaatste Seleukos Nikator (305-280 voor Chr.) Antigoneia
in 301 voor Chr. naar de plek waar de huidige stad ligt.
Seleukos, de stichter van de Macedonische dynastie in Syrië,
noemde de stad naar zijn vader Antiochus.
Antiocheia, gelegen in het dal van de Orontes op het kruispunt
van handelswegen, bloeide al snel op. De stad zou het centrum
worden van de Hellenistische wereld. Het aantal inwoners,
een mengelmoes van Syriërs, Armenen en Klein-Aziaten, dat
de stad in de tweede eeuw voor Chr. telde, wordt op een
half miljoen geschat. Het was de op drie na grootste stad
van de toenmalige wereld, en de eerste die straatverlichting
kreeg. Libadius, een burger van Antiochië, schreef hierover
het volgende: `Het verschil tussen dag en nacht is alleen
te merken aan een verschil in verlichting. Vlijtige handen
zien geen onderscheid en werken door, en wie lust heeft
zingt en danst, zodat Hephaistos en Aphrodite de nacht onder
elkaar verdelen.'
 In
de Romeinse tijd, Antiocheia werd in 64 voor Chr. door de
Romeinen veroverd, was de stad dan ook een zeer populair
verblijfsoord. De veldheer Germanicus verbleef hier na zijn
veldtochten tegen de Germanen. Keizer Julianus schreef er
zijn strijdschrift tegen de nieuwe christelijke leer en
bereidde er zich voor op zijn strijd tegen de Perzen. Als
hoofdstad van de Romeinse provincie Syria bleef Antiochië's
welvaart voortduren en wist ze een zekere mate van autonomie
te behouden.
In de geschiedenis van het christendom speelde de stad een
belangrijke rol. Paulus bezocht de stad meerdere malen en
het was hier dat de naam Christen (Christianoi) voor het
eerst werd gebruikt. Onder keizer Diocletianus werden de
christenen in de stad vervolgd en hun kerken verwoest. Met
de troonsbestijging van keizer Constantinus braken betere
tijden aan. Deze begunstiger van het Christendom, door sommigen
ook wel de eerste christenkeizer genoemd, riep het christendom
tot staatsgodienst uit en beval tot wederopbouw van de kerken
in de stad.
Al tijdens het concilie van Nicea werd de bisschop van de
stad naast die van Rome en Alexandrië geplaatst. Als zetel
van een Patriarch kwam de stad in rangorde na Rome, Constantinopel
(het huidige Istanbul)
en Alexandrië.
De Antiochische theologische school, die in tegenstelling
tot die van Alexandrië, Christus twee verschillende naturen
toebedeelde, stond in hoog aanzien. In de buurt van de stad
brak ook Symeon de Styliet zijn rekord paalzitten. Deze
zuilheilige bracht 30 jaar van zijn leven bovenop een zuil
in ascese door.
Ook was de stad een van de grootste handelsplaatsen langs
de middelandse zeekust. Het belangrijkste handelsproduct
van de stad was zijde, die hier gefabriceerd werd. Het waren
natuurlijke krachten die de achteruitgang van de stad zouden
inleiden. In het jaar 525 werd Antiochië namelijk door een
aardbeving getroffen en geheel met de grond gelijk gemaakt.
Dertien jaar later veroverde en verwoestte de Perzische
koning Chusrev I de stad, waarna hij het grootste deel van
de stadsbevolking naar Mesopotamië liet deporteren. Keizer
Justinianus wist de stad te heroveren. Hij veranderde de
stadsnaam in Theopolis (Stad van god). Nadat de Arabieren
de stad in 638(637) ingenomen hadden slaagden de Byzantijnen
er pas in 969 in haar te heroveren. Na voor een korte periode
in handen te zijn geweest van de Seltsjoeken veroverden
de kruisvaarders de stad op 3 juni 1098. Antiochië zou vervolgens
170 jaar lang het centrum van een kruisvaardersstaatje zijn.
Het verval van de stad zette zich met de verovering door
de Mamelukken in 1268 definitief in. Nadat Seleukeia, de
voorhaven van de stad, verzandde kwam er een einde aan de
welvaart van de handelsstad. In 1516 voegde sultan Selim
I Antiochië aan het Osmaanse rijk toe. De stad voerde vanaf
die tijd een sluimerend bestaan als ontbetekende provincieplaats.
In 1872 werd Antiochië voor de tweede maal getroffen door
een aardbeving. Ook ditmaal was de ravage enorm. In 1918
werd de stad bij het Franse protektoraat Syrië gevoegd.
Na de volksstemming van 1939 werd de stad, ondanks felle
protesten van Syrische zijde, samen met Iskendrun bij de
Turkse republiek gevoegd.
Het huidige Antakya
Tegenwoordig is er in de hoofdstad van de Turkse grensprovincie
weinig meer over van de grootsheid die de stad als handels-
en cultureel centrum van de Hellenistische wereld had. Het
huidige stadgebied is ruim 10 keer zo klein als de oppervlakte
van de stad in de Hellenistische en Romeinse periode. De
stad, gelegen aan de voet van de Habib Neccar berg, in de
oudheid de Mons Silpius genaamd, is ontdaan van zijn haven
en spoorlijn en is nog enkel een garnizoensstad. Tegenwoordig
voert Antakya Vijgen en Olijven uit. Ook de moerbijboom,
waarvan de bladeren het favoriete voedsel van de zijderups
zijn, is hier in grote getale aangeplant. Toch maakt het
subtropisch klimaat van de streek Antakya toch een aantrekkelijke
toeristenplaats, temeer daar het een schitterend archeologisch
museum heeft.
De bezienswaardigheden
Van de vele schitterende antieke gebouwen die de stad
eens telde is vrijwel niets over. Van het antieke Antiochië
restten nog enkel schaarse fragmenten van de stadsmuur,
een Romeinse brug en een aquaduct. Het oude Osmaanse stadsdeel
ligt op de oostoever van de Asi Nehri.
Romeinse resten
De brug van keizer Diocletianus heeft van de aardbevingen
en belegeringen weinig schade ondervonden. Ondanks verschillende
restauraties heeft de brug, die in de 2e eeuw gebouwd is,
zijn oorspronkelijke vorm grotendeels kunnen behouden. Op
een van de pijlers van de vierbogige brug prijkt nog steeds
het reliëf van een Romeinse adelaar. Een Romeins aquaduct
ligt in het zuidoosten van de stad. Het bouwwerk dateert
uit de tweede eeuw.
Het Archeologisch museum
In het nieuwe stadsdeel vlakbij de brug bevindt zich het
Hatay museum, het Archeologisch museum van de stad, met
interessante artefacten uit de Romeinse tijd, zoals sarcofagen
en zeer fraaie mozaïeken uit huizen uit Antiochië en Daphne
(nu Harbiye). De mozaïekverzameling kan zich meten met die
van de musea te Ravenna en Tunis. Iedere dag behalve maandag
open van 8.30-12.00 en 13.30-17.00 uur
De Habib Naccar Camii, een tot moskee omgevormde kerk, ligt
aan de Kemal Pasja Caddesi, aan de rand van het centrum.
De citadel
Op een rotsplateau in het zuiden van de stad ligt de ruïne
van de oude elfde eeuwse citadel. Helaas is er weinig van
het fort overgebleven, daar soldaten van de Egyptische Mehmet
Ali, die van 1830 tot 1840 een opstand leidde tegen de Osmaanse
sultan, grote delen gesloopt hebben voor de bouw van kazernes.
Ondanks de slechte staat waarin de ruïne verkeert is een
bezoek toch zeker de moeite waard, zeker voor de mensen
die van wijdse panorama's houden.
De petrusgrot
De grotkerk in de Petrusgrot heet de eerste - dus oudste
- christelijke kerk te zijn. Vanaf Antakya bereik je de
kerk door via de brug over de Orontes de weg naar Aleppo
te volgen. Na ongeveer 3 kilometer sla je rechtsaf een klein
weggetje in. Na een halve kilometer arriveer je dan bij
de kerk. De apostel Petrus moet in dze grot gepredikt hebben.
In de 13e eeuw werd de grot door de kruisridders van een
gotische façade voorzien. De kerk, door de Turken de Senpiyer
Kilise (verbastering van Sint Pieter) genoemd, is op de
voorgevel na dus geheel in een grot gebouwd. Aan het water
dat rechts achter het altaar naar beneden druipt, wordt
door christenen en moslims een heilzame werking toegeschreven.
Praktische informatie
Het busstation ligt op de oostoever, iets ten noorden van
het centrum. De verbindingen met de grote steden in het
noorden zijn goed. Vanuit Antakya is het misschien mogelijk
verder naar Syrië te reizen. Daar de onderlinge betrekkingen
tussen Turkije en Syrië sinds de golfoorlog regelmatig ups
en downs kennen is het verstandig informatie over verplicht
geld wisselen en visa al thuis of anders bij de ambassade
in Ankara
in te winnen.
|